Recensie

Het moet stormen in de hersenen

Filosofie 'De kritiek is een ode aan de schepping', schrijft de Vlaamse cultuurfilosoof en activist Lieven De Cauter.

Foto iStock

Als Lieven De Cauter over de tijdgeest schrijft, dan gaat het al snel over ‘transmoderniteit en metamoderniteit’, over de ‘logica van de permanente catastrofe’ en ‘de wereldorde als entropisch imperium’. Maar het zou zonde zijn als een lezer zich door zulke termen liet afschrikken, want de Vlaamse cultuurfilosoof en activist De Cauter (1959) heeft veel te melden.

Niet iedereen zal het eens zijn met zijn linkse en pessimistische visie op de moderne wereld, maar dat hij over een scherpe blik beschikt valt moeilijk te ontkennen. Dat bleek al in een boek als De capsulaire beschaving (2004), waarin hij analyseerde hoe westerse maatschappijen zich, geobsedeerd door veiligheid, terugtrekken in stedelijke capsules en zich zo afsluiten van de boze buitenwereld.

Architectuur, stedelijkheid, technologie, de klimaatcatastrofe, de neo-liberale wereldorde – dat zijn de thema’s waarover Lieven De Cauter al zo’n twintig jaar schrijft. Maar naast een geëngageerd denker is hij ook altijd een auteur geweest die speelde met taal en jongleerde met ideeën.

Die laatste kant van De Cauter krijgt volop de ruimte in zijn nieuwe essaybundel Van de grote woorden en de kleine dingen. Ja, ook in dit boek verliest hij zich soms in filosofische redeneringen die nauwelijks te volgen zijn voor iemand die niet over dezelfde kennis beschikt, maar vaak genoeg staat hij zichzelf toe een heldere bespiegeling te schrijven over dagelijkse dingen. Bijvoorbeeld over het geluksgevoel dat hij ervaart als hij een passerende goederentrein hoort en terugdenkt aan vroeger (‘geluk is heimwee naar de tijd van de belofte’). Zo beginnen veel essays steeds bij kleine aanleidingen, waarna het raderwerk van De Cauters denken gaat draaien. ‘Alleen de hevige klaarte van de geest verschaft mij een gevoel van vervulling’, schrijft hij.

In een mooi essay over de ‘trinitaire manie’, de neiging van filosofen om in drie fasen te denken, komt hij op Nietzsches parabel van de kameel, de leeuw en het kind. Bij monde van Zarathoestra vertelt Nietzsche dat de mens drie gedaanten moet aannemen in zijn leven: eerst is hij een kameel die kennis vergaart, dan een leeuw die vecht voor iets groots en ten slotte een kind dat zich verwondert over de wereld. Deze drie stadia vergelijkt De Cauter met de scholastieke categorieën van het ware, het goede en het schone. De Cauter lijkt nu in de laatste fase terechtgekomen, tenminste in een aantal essays waarin hij vrijelijk mijmert over de schoonheid van zijn nabije omgeving.

Neem het essay ‘Eerste notities over (uit)gelatenheid’, waarin hij vertelt hoe hij in zijn tuin naast de vijver zit, zijn ‘paradijsplek’, en ’s avonds kijkt naar het ‘schaduwspel’ van de vleermuizen. (Zelfs een kritische intellectueel moet zich wel eens terugtrekken in zijn persoonlijke capsule.) Verzonken in de mystiek-esthetische bewondering schrijft hij: ‘Momenten van geïnspireerd zijn. Door alles wat bestaat. Door het bestaan zelf. A perfect brainstorm.’ Het zou een motto voor dit boek kunnen zijn. Waar die inspiratie hem normaal tot denken aanzet, is hij nu sprakeloos. Over wat er allemaal mis is in de grote wereld, heeft hij even niets te zeggen. In zijn tuin vindt hij een nieuwe stemming: ‘(uit)gelatenheid’, zowel gelaten als uitgelaten zijn.

Maar dat mag niet lang duren. Zijn kritische geest ontwaakt weer terwijl hij nog in zijn ‘paradijstuin’ zit. Zijn vrouw merkt op: ‘Paradijselijkheid en kritiek gaan niet samen.’ Maar De Cauter is het daar niet mee eens: ‘Je kan de dingen niet kapot analyseren. De analyse, de kritiek is een ode aan de schepping. Alleen in de kritiek op de tuin toont hij zijn schoonheid.’

    • Martijn Meijer