Opinie

    • Japke-d. Bouma

De liefde niet

Japke-d. Bouma schrijft elke week over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week: de liefde.

Laatst zei iemand: kan je niet eens wat vaker over mooie taal schrijven? Je schrijft bijna elke week over taalergernissen, maar taal is zoveel rijker dan de ergernis alleen. Waarom schrijf je niet regelmatiger over taal die verlokt en betovert, die je op plekken brengt waar je nog nooit eerder was? Schrijf anders eens over de liefde.

Ja, mooie taal. Daar schrijf ik te weinig over. Maar het is zo dankbaar te schrijven over ergernis. We zijn het veel eerder eens over wat lelijk is dan over wat ons verrukt.

Zo is een van mijn lievelingswoorden het Engelse woord ‘epiphany’ – openbaring – omdat er een poefje van verwondering in zit en het einde klinkt als een knipoog naar het nieuwe ongewisse dat zich na de openbaring alweer aandient. Of het woord ‘verwondering’ – een wonder dat je onverwacht overmeestert. Of ‘ongewisse’ – iets wat je niet weet, maar ophoudt als je dat wél doet. Maar zit iemand erop te wachten dat ik dat opschrijf?

De liefde dan. Nou, oké. De liefde zegt wél iedereen iets, natuurlijk. Maar moet ik daarover schrijven? Ik zeg het eerlijk, ik heb altijd een beetje een haat-liefde-verhouding met de liefde gehad. De liefde wordt zo overschat vaak, er wordt ook zoveel onzin over geschreven.

Dat ‘liefde alles is wat je nodig hebt’ bijvoorbeeld (Lennon/McCartney) – ik zou zeggen dat je met water, brood en een paar sinaasappels een stuk verder komt. Of dat ‘alles liefde is’ (Bløf) – daar denk je toch heel anders over als je bij de tandarts ligt voor een wortelkanaalbehandeling. Of dat ‘waar liefde is, leven is’ (Gandhi) – tja. Leven is er ook zonder liefde, en liefde blijft ook vaak heel lang ná de dood.

Hoezo is liefde alles wat je nodig hebt? Je komt een stuk verder met een boterham, een glas water een paar sinaasappels

Ik denk ook aan Paulus, in zijn eerste brief aan de Corinthiërs, vers 13. Mooi opgebouwde tekst hoor, goeie cadans, vooral de NBG-vertaling uit 1951 (met het „rinkelende cimbaal”), maar de boodschap ervan, dat je niets bent als je de liefde niet hebt, is apert onjuist. Die zin ook: ‘de liefde vergaat nimmermeer’, duh. Liefdes vergaan juist voortdurend.

Voor mij is vriendschap, en dan vooral de onvoorwaardelijke tak ervan, eerder van levensbelang dan de liefde. Ik dacht ook aan het gedicht waarmee Bas Heijne deze maand zijn zaterdagcolumn in NRC na 18 jaar beëindigde, het gedicht September 1, 1939 van W.H. Auden uit 1939. Niet om de beroemde zin die erin staat: ‘we must love one another or die’, of wat Auden er later van maakte omdat hij dat ook onzin vond: ‘we must love one another and die’, maar om de strofe erna, waarop schrijver Jan Postma me attendeerde. Want het gedicht eindigt niet met de liefde, het eindigt met de hoop, het eindigt hiermee:

Defenseless under the night

Our world in stupor lies;

Yet, dotted everywhere,

Ironic points of light

Flash out wherever the Just

Exchange their messages:

May I, composed like them

Of Eros and of dust,

Beleaguered by the same

Negation and despair,

Show an affirming flame.

Ik denk dat Auden ermee wil zeggen dat, hoewel we weerloos zijn in de nacht, er toch overal in het donker ironische lichtjes stralen, dwars door alle wanhoop heen – de lichtjes die ontstaan als oprechte mensen elkaar vinden en bevestigen, steunen, hoop geven. Postma schrijft er in zijn boek Vroege Werken over: „Of eigenlijk leest het alsof het de hoop op hoop is, die hier en daar fonkelt.”

Want ja, vooruit, daar is het dan, mijn allermooiste woord, ‘hoop’. De hoop van de ironie is mijn geloof én mijn grote liefde.

Zo staan de grote drie dan toch weer bij elkaar: geloof, hoop en liefde. Maar de belangrijkste van die drie is niet de liefde.

Japke-d. Bouma houdt een zomerstop. Ze is er in september weer.
Correctie: In een eerdere versie van deze column stond de Statenvertaling uit 1951 vermeld. Dit moest de NBG-vertaling uit 1951 zijn.

    • Japke-d. Bouma