Recensie

De hoogmoed van het atheïsme

Atheïsme Christelijke religie en evangelisch atheïsme liggen dicht bij elkaar, schrijft filosoof John Gray: beide kampen zijn ervan overtuigd dat de geschiedenis op weg is naar voltooiing en dat inzicht ons tot betere mensen maakt.

De triomf van de christelijke waarheid’, een 16de-eeuws Nederlands schilderij dat in de tijd van de Sovjet-Unie in het Museum van de geschiedenis van religie en atheïsme hing in Sint-Petersburg. Foto V. Babailov/ Sputnik/AFP

Wanneer zelfs Jort Kelder op de Nederlandse radio de vraag stelt of het geen tijd wordt religie af te schaffen, weet je dat de paniek in het secularistische kamp hoog is opgelopen. Daar doet de dwaasheid van die vraag niets aan af. We weten niet eens de hypotheekrente behoorlijk af te schaffen, twitterde iemand. Hoe zouden we dat met zoiets fundamenteels als religie dan wel denken te kunnen?

Toch klinkt die roep niet voor het eerst. Hij is al minstens tweehonderd jaar oud. En alle pogingen om daar ernst mee te maken, zijn tot nu toe op catastrofes uitgelopen. Van de terreurcampagnes van de Franse Revolutie tot de vervolgingen onder het Russisch, Chinees of Oost-Europees communisme heeft de veldtocht tegen de godsdienst ruimschoots zijn onmenselijkheid bewezen – ironisch genoeg juist omdat hij in naam van de menselijkheid ondernomen werd.

Precies in dat laatste huist de omineuze ironie van het evangelisch atheïsme, zo schrijft John Gray (1948) in zijn nieuwe boek Seven Types of Atheism, waarin hij bewijst van politiek denker te zijn uitgegroeid tot een all-round filosoof. In veel opzichten staat het militante atheïsme van vandaag minder tegenover dan in het verlengde van de religie die het zegt te bestrijden.

Zoals de godsdienst vocht voor God, zo vechten zijn opponenten voor ‘de mens’; zoals de eerste een hemel in het vooruitzicht zag, zo zien de laatsten een wereld voor zich waarin de Verlichting eindelijk zal zijn voltooid. Kennis (in het ene geval van God en zijn Schepping, in het andere van de wetenschap en haar kosmos) is de weg naar de ultieme goedheid waarin de mens zal leven in een hemels dan wel een aards paradijs.

Krampachtige ontkenning

De inhoud mag verschillen (al is zelfs dát vaak van beperkte aard), maar het denkmodel is hetzelfde, aldus Gray. Beide kampen zijn ervan overtuigd dat de geschiedenis op weg is naar voltooiing en dat inzicht ons tot betere mensen maakt. Helaas zijn geen van beide zaken ooit aangetoond en wijst de werkelijkheid eerder op het tegendeel.

De krampachtige ontkenning van het menselijk tekort, dat haaks staat op alles waarvan de moderne wereld overtuigd is, is in belangrijke mate verantwoordelijk voor het geweld dat de eeuwen door gepleegd is in naam van ‘geloof’: of dat nu van religieuze, politieke of sciëntistische aard is.

Wie de onwaarschijnlijk productieve John Gray een beetje gevolgd heeft, zal bij die ontnuchterende vaststellingen niet vreemd opkijken. Tien jaar geleden schreef hij al een artikel over het ‘evangelisch atheïsme’ (opgenomen in de bundel Grays anatomie) dat nu is uitgegroeid tot een heel boek. En in 2011 verscheen zijn onderhoudende verhandeling over de manier waarop sinds ruim een eeuw de wetenschap de mensheid het eeuwige leven moet geven (Het onsterfelijkheidscomité): één van de dromen die het christendom van begin af aan heeft gevoed.

Een apologie van de christelijke religie is Seven Types of Atheism dan ook evenmin als een aanval op het atheïsme in al zijn gedaanten. Daarvoor liggen die twee vaak veel te dicht bij elkaar, aldus Gray. Juist in het christendom zijn de wortels te vinden van het hedendaagse sciëntisme en Verlichtingsfundamentalisme. Het maakte religie van een voornamelijk rituele aangelegenheid tot een doctrine – en die moest op termijn wel in conflict komen met het wetenschappelijk inzicht dat ook van zijn kant maar in één waarheid gelooft. En het universaliseerde de wereld door te praten over ‘de’ mens die verlossing nodig had – in plaats van te erkennen dat ‘de mens’ al net zo min bestaat als Maxima’s ‘Nederlander’.

In werkelijkheid is de wereld eindeloos verdeeld en verstrooid

Hopeloos verdeeld

In werkelijkheid is de wereld eindeloos verdeeld en verstrooid, zo is Gray gaandeweg steeds meer gaan ontdekken. Het maakte hem van een jonge volgeling van Margaret Thatcher, overtuigd van de universele heilzaamheid van het liberalisme, tot een sceptisch conservatief met een allergie voor eenduidige marsroutes naar de zaligheid. Vooral de illusie dat voortschrijdende kennis zou leiden tot een steeds hoger moreel bewustzijn heeft hij leren opgeven. En juist dát bleek een van de kernovertuigingen van zowel het christendom als het atheïsme dat zich op de ratio beroept.

Er bestaat niet zoiets als een ‘wetenschappelijke wereldvisie’, zo constateert Gray al aan het begin van Seven Types of Atheism. Wie de natuur als richtlijn neemt, kan zowel uitkomen bij universele empathie als bij de vanzelfsprekendheid van genocide. Zoals er ook niet één ‘humanistische visie’ bestaat: voor de één culmineert die in de grootst mogelijke menselijke vrijheid, voor de ander in alomvattende socialiteit. Met die verscheidenheid zullen we rekening moeten houden, willen we ons niet verliezen in het ijdele woordspel dat nu zo vaak doorgaat voor het godsdienstdebat: volgens Gray voornamelijk a type of entertainment.

Daarmee miskent hij dat het belijdend atheïsme gemakkelijk uitloopt op een bedreiging voor constitutionele rechten en fundamentele vrijheden. Mogelijk ligt dat in het Verenigd Koninkrijk minder scherp dan in onze natie, waar ook het atheïsme het theologische scherpslijpen nog niet is verleerd. Zelfs wie in klokkengebeier geen aantasting wil zien van de scheiding tussen kerk en staat, laat zich licht begoochelen door de idee dat godsdienst de bron van alle kwaad is – en de opheffing daarvan dus een humanitaire plicht.

Voor wie met beide benen op de grond wil komen is Seven Types of Atheism daarom een nuttige oefening in erudiet en illusieloos denken: helder genoeg om te laten zien dat de wereld veel te ónhelder is voor simplistische schema’s. Onder Grays helden vinden we Spinoza, Leon Sjestov en Schopenhauer: denkers die verlicht genoeg waren om ook de grenzen van de rede te zien en te beseffen dat men uiteindelijk niet ontkomt aan enig geloof, al hoeft dat niet uitgesproken religieus te zijn.

De erfzonde ligt niet in dat geloof, maar in de misvatting dat dat gegrondvest, eenduidig en voor iedereen hetzelfde zou moeten zijn. Met die pretentie betoonde het christendom zich misschien te hoogmoedig – maar het heeft die wel aan de hele westerse cultuur doorgegeven: tot en met de roep om zijn eigen opheffing. Beter, aldus Gray, sloeg het atheïsme een bescheidener toon aan. En oefenen wij het afschaffen eerst maar eens op de hypotheekaftrek.

    • Ger Groot