Recensie

Enquist vertelt een overduidelijk en allerminst nieuw verhaal

Anna Enquist

Hoe verder? Haar nieuwe roman gaat over het leven na een ramp. Helpt het om naar China te gaan?

Illustratie Paul van der Steen

Hoe ga je verder na een ramp? De grote lijnen van het antwoord op die vraag komen neer op clichés: raap de brokstukken bijeen, probeer ze niet aan elkaar te lijmen, want het verleden is niet meer, maar poog te zien wat ze nog waard zijn, koester dat, en ga dóór, blijf leven.

Maar die grote lijnen vatten niet het echte verhaal van rouw- of traumaverwerking, dat altijd persoonlijk gekleurd is, en daarmee weerbarstiger, rommeliger, ingewikkelder. Daar hebben we de literatuur voor: om ingesleten verhalen te ontkrachten of minstens van kanttekeningen te voorzien, om de clichés tegen te gaan.

Carolien, de huisarts en cellist en de voornaamste van de twee hoofdpersonen in Anna Enquists nieuwe roman Want de avond, wordt meteen neergezet met zo’n eigenaardigheid die haar een menselijke toets geeft. Ze is haar pink verloren, en daarmee in feite heel zichzelf, al haar levenslust. Nieuwe mensen durft ze niet meer te ontmoeten, omdat dan toch het gevreesde moment zal komen: dat ze een hand moet geven. De gruwel van degene tegenover haar, het gevoel van dat kleine, gemankeerde handje, de vingerloosheid, kan ze al uittekenen, voelen bijna. En cello spelen wil ze ook niet meer: ze vreest een ‘strijkprobleem’. Haar man Jochem, de andere hoofdpersoon, verliest zich ondertussen almaar meer aan zijn recente obsessie voor inbraakpreventie, voor tralies, alarminstallaties en beveiligers.

Toch wel een tweeluik

Wat er dan toch met die mensen gebeurd is, weet je als je Kwartet (2014) kent, de vorige roman van Anna Enquist. Haar uitgever mag zich dan wel haasten te zeggen dat Want de avond het ‘volstrekt opzichzelfstaande vervolg’ op Kwartet is, maar in feite vormen de romans een tweeluik, een vóór en ná. Kennis van de voorgeschiedenis helpt op z’n minst nog om niet al te zeer overvallen te worden door de curieuze premisse: een strijkkwartet overleefde een aanslag, een explosie op een boot waar de musici speelden. Dat was een symbolische culminatie van cultuurpessimisme (klassieke muziek werd bedreigd) aan het slot van Kwartet, dat om die ontknoping ook als thriller gelezen kon worden. Want de avond gaat over het nadien, jaren later, als het kwartet stilgevallen is en de draad nog steeds niet opgepakt: Hugo en Heleen zijn min of meer uit beeld verdwenen, Carolien is depressief, Jochem paranoïde. Overigens kampten Carolien en Jochem al met rouw door het verongelukken van hun beide zoons tijdens een schoolreisje.

Lees ook de recensie van Kwartet: Een soort Bruce Willis-film, maar dan wel op klompen

Hoe verder? Zo’n onderwerp is Enquist op het lijf geschreven, zou je zeggen: niet alleen omdat haar werk van de laatste jaren, sinds haar volwassen dochter in 2001 verongelukte, al geregeld ging over verwerking, en opkrabbelen – maar in feite waren dat altijd al haar thema’s. Misschien valt Want de avond vooral daarom tegen: het voelt allemaal genoegzaam bekend.

De roman begint nog beloftevol: ‘Niets blijft hetzelfde’, zijn de openingswoorden. Maar vanaf dat moment kunnen we er rustig voor gaan zitten, achterover leunen, want Enquist laat het verhaal heel traag uit de startblokken komen. Ondertussen glijden de wederwaardigheden van haar hoofdpersonen wel moeiteloos naar binnen, in hapklare brokjes, in een overvloed aan duidende zinnen. ‘Wat die explosie betekent, dáár gaat het om. Smijt die ons een onvoorziene toekomst in, oreert Jochem op bladzijde 9. Als een oude musicus overlijdt, erft Carolien op bladzijde 46 zijn cello, tot haar paniek: ‘Allemachtig, wat te doen? Alles in haar schreeuwt: nee, nee, nee.’ Op bladzijde 76 mijmert Carolien: ‘Heleen durft ervoor uit te komen dat alles is veranderd. Wij niet. Wij hangen hier nog rond in dit huis, Jochem gaat door met wat hij altijd al deed en ik neem geen afstand, niet echt, niet actief. Ik vlucht in stilstand.’ Op bladzijde 139 nog steeds weinig nieuws, vervat in een dramatische metafoor: ‘Het leven van vroeger bijt met scherpe, verscheurende tanden in het leven van nu.’

In een opwelling naar China

Met zoveel stilstand als uitgangspunt is het geen wonder dat Want de avond moeizaam op gang komt, je moet het misschien wel toepasselijk noemen. Maar die vertelstijl, waarin emoties in grote, vlakke woorden worden toegelicht en handelingen expliciet in psychologiserende kaders worden geplaatst, maakt je lui als lezer. Gevolg: je engageert je nauwelijks met de personages. Zij blijven doen wat je al verwachtte dat ze zouden doen, in hun getroebleerde zielstoestand – de personages zijn eerder psychologische sjablonen dan mensen. Het perspectief dat Enquist hanteert, waarbij ze in de derde persoon over haar personages schrijft, maar voortdurend hun gedachten door de vertellerstekst heen mengt, maakt het allemaal niet spannender. Er mag geen onduidelijkheid bestaan, zo lijkt het steeds, geen dubbelzinnigheid.

Tót Carolien na een bladzijde of honderd in een opwelling naar China gaat, omdat ex-kwartetgenoot Hugo daar bezig is een onderneming voor jonge musici op te zetten. Voor Carolien is het vooral een andere wereld, die haar met bevrijding verleidt. Het is een dappere poging om wat energie in het verhaal te laten stromen – het voelt ook als een aardige metafoor. Want waar in Kwartet de kwetsbare (muziek)cultuur in het Westen zo bedreigd werd door de commercie, kun je in Want de avond het vertrek naar China als een verrassende vlucht naar voren zien. Dáár, zo wil immers het cliché, ligt de toekomst: hoe dan verder?

Literair toerisme

Maar die lijn wordt niet uitgespeeld. China biedt uiteindelijk weinig meer dan literair toerisme dat vooral exotisme bekrachtigt: er zijn arme weeskinderen die hulp behoeven, er kan gewandeld worden door de ‘stinkende krappe straatjes van de hutongs, waar de mensen dicht opeengepakt wonen, met gemeenschappelijke wc’s op de hoek en kratjes met groente bij de poort’. De China-episode rammelt Carolien wel een beetje door elkaar, maar niet bepaald omdat daar de toekomst ligt: juist omdat ze gaandeweg doorheeft dat zij daar niet thuishoort.

De achteroverleunende lezer krijgt dat ook nog even uitgelegd: ‘Alle vernis moet eraf, tot de kale werkelijkheid zichtbaar wordt: ze zit aan de grond in een omgeving waar ze niets mee te maken heeft.’ Maar die kale werkelijkheid zag een beetje oplettende lezer tientallen bladzijden eerder al door het vernis heen schijnen, toen de titel van de roman opdook: ‘Blijf bij mij’, citeerde vijftiger Carolien een lied, ‘want de avond is nabij’.

Die moraal is, naast de stilistische bezwaren, ook een inhoudelijke tegenvaller. Want de avond biedt met die boodschap juist géén ander verhaal over de verwerking van een ramp. Enquist vult dat verhaal ditmaal nauwelijks in met eigenzinnige details, met nieuwe gedachten of complicerende factoren. De roman blijft de grote lijnen volgen, het ingesleten pad. Ze vertelt niets nieuws.

Lees ook een interview met Enquist: ‘Het is de leeftijd’
    • Thomas de Veen