Recensie

Autonoom ben je heus niet in je eentje

Filosofie Zijn we wel zo autonoom als we denken? De Duitse filosofe Beate Rössler constateert dat we vooral door vrienden en familie in onze onafhankelijkheid worden beperkt.

Filosofen willen zich nog wel eens vastbijten in problemen waar gewone stervelingen zelfs in hun vreemdste dromen nooit op komen. Maar op één filosofische kwestie stuiten we allemaal wel eens: de vraag hoe autonoom we eigenlijk zijn.

Wie verliefd is, kijkt telkens op zijn telefoon, al wil hij het niet, en die smartphone zelf is hoe dan ook al een irritant bewijs van onze afhankelijkheid. Speelbal zijn we van de algoritmes van Apple, Google en Facebook, net zoals velen van ons zich vaak weinig autonoom verhouden tot drank, snoep en sigaret. Misschien worstelen ouderen er minder mee, maar die tobben dan weer over de naderende dood. Mogen we daar als autonoom individu ook zelf iets over zeggen, of is dat aan onze naasten, de medische beroepsgroep, regels, wetten en de stand van de technologie?

Volgens de Duitse hoogleraar filosofie Beate Rössler (1958) denken we te veel in absolute termen over die autonomie. In haar onlangs verschenen boek betoogt ze dat autonomie geen abstract, absoluut beginsel is waar we ons aan op kunnen trekken of dat ons dwars zit. Autonomie krijgt volgens haar pas betekenis in de praktische omstandigheden van het leven zelf. Ik kan niet autonoom zijn in mijn eentje, alleen in verhouding tot anderen kan dat.

Tegelijk bedreigen die anderen mijn autonomie onophoudelijk. Niet alleen in patriarchale culturen of totalitaire maatschappijen. Ook vrienden, familie en mensen op het werk beperken onze mogelijkheden tot een vervuld leven, zoals Rössler dat noemt, net als armoede, discriminatie en nog veel meer maatschappelijke omstandigheden.

Rössler biedt een breed overzicht van discussies in de vakfilosofie zonder schools te worden. De gedetailleerde discussie bewaart ze zoveel mogelijk voor de eindnoten. Verder is het een gelukkige keuze om dilemma’s aan de hand van romans en theater te bespreken (Jane Austen, Ibsen). Literatuur kan nu eenmaal beter de subtiele ambivalenties van het leven in kaart brengen dan de filosofie.

Het streven naar autonomie is verwant aan onze obsessie met authenticiteit. Sinds Rousseau in zijn afkeer van de maatschappij de natuur begon te verheerlijken en de ontplooiing van ons ware zelf, voelt de westerse mens zich van zichzelf vervreemd, een probleem dat met onze digitale wereld en social media opnieuw urgent is. Rössler besteedt er echter maar mondjesmaat aandacht aan.

Het is natuurlijk wel de vraag hoe volledig je kunt zijn bij zulke grote onderwerpen als autonomie. Zo miste ik Rösslers commentaar op godsdienst, waar toch bijna de hele wereldbevolking religieus is. Anders dan menig protestant meent, staat religie vrijwel altijd met autonomie op gespannen voet. Gaat het er al niet om blinde gehoorzaamheid, dan draait het toch doorgaans om overgave die op zijn minst een deel van onze autonomie in het nauw brengt.

Het interessantst is het hoofdstuk over sociale voorwaarden voor autonomie. Daarin komt het voorbeeld aan bod van de weigering om de Franse nationaliteit aan een salafistische, in boerka geklede vrouw toe te kennen omdat haar leefwijze in strijd met autonoom burgerschap zou zijn. Maar, zo betoogt Rössler, die leefwijze hoeft een autonome keuze niet uit te sluiten. En al had ik over zulke hete hangijzers graag meer gelezen, het laat onverlet dat dit boek een geweldige staalkaart biedt van hedendaagse filosofische discussies over autonomie die aan zulke maatschappelijke debatten ten grondslag liggen.

    • Maarten Doorman