Tamino.

foto Ramy Fouad

Tamino bezingt de spanning tussen romantiek en nihilisme

Interview

De Vlaamse zanger Tamino, die vorig jaar nog studeerde aan het conservatorium, staat dit weekeinde op Down the Rabbit Hole.

‘In het derde jaar heb ik gezegd dat het niet meer ging.” In het Antwerpse jazzcafé De Muze leunt Tamino, voluit Tamino-Amir Moharam Fouad, voorover op tafel. Het voelt als thuis voor de 21-jarige Vlaming met Egyptische wortels. Tot vorig jaar studeerde hij in Amsterdam, aan het conservatorium. Maar na de raketlancering van zijn carrière in zijn thuisland, viel het met de studie niet meer te combineren. „Ik zat aan het tafeltje hiernaast. Ik zei tegen een vriend: ‘Mijn kop ontploft. Ik kan niet op twee plekken tegelijk zijn, ik doe alles half’.”

Vlak daarvoor sloeg het nummer ‘Habibi’ op het Belgische Radio 1 in als een bom. Tamino won in 2017 het talentenprogramma De Nieuwe Lichting en na de eerste EP was het publiek om. Optredens in kleine cafés verruilde hij voor Pukkelpop en Rock Werchter. Vorig festivalseizoen maakte ook het Nederlandse publiek kennis: de wat mysterieus ogende, maar charmante Tamino maande met zijn hoge falsetzang de festivalweides tot stilte.

Na een EP wordt een debuutalbum verwacht. Maar met alle hectiek rond zijn doorbraak in de Lage Landen is het moeilijk creatief gedijen voor de vrijzinnige Tamino. „Het moet stil zijn. Het houdt geen steek om met duizend mails in je inbox te gaan schrijven. Er was in mijn hoofd opeens geen ruimte meer voor liedjes over levensvragen.”

Maar het album komt eraan, verzekert hij. Laatste single ‘Sun May Shine’ is al een voorproefje: weer de hoge kopstem, maar nu naast de gitaar ook lichte elektronische geluiden. En: op ‘Indigo Night’ een baspartij van Colin Greenwood van Radiohead. Hoe hij hem wist te strikken? „Colin verblijft veel in Antwerpen. We hebben toevallig gemeenschappelijke vrienden. Toen hij naar mijn show kwam kijken, kwam hij achteraf naar me toe: hij was super enthousiast. Daarna durfde ik het te vragen. Zijn baslijnen vielen me altijd al op, ze blijven hangen in mijn hoofd.”

Vergelijkingen van Tamino’s melancholische kopstem met Radiohead-zanger Thom Yorke, maar vooral ook Jeff Buckley, vallen in recensies om de haverklap. Maar de kroning tot ‘de Belgische Jeff Buckley’ is Tamino liever kwijt dan rijk. „Als mensen in de popmuziek een man met kopstem horen, denken ze gelijk aan die twee zangers; het komt gewoon weinig voor.” Zit er dan geen overeenkomst in de zwartgallige aard van zijn muziek? „Ik geloof best dat ik qua intensiteit en gevoeligheid op hem lijk. Maar de melancholie…” Weifelend: „Ik denk dat ik donkerder ben dan Buckley.”

Hoe klein we zijn

Zijn onheilspellende muziek ziet Tamino als een spanningsveld tussen romantiek en nihilisme. „Dat nihilisme is kijken naar het leven en denken: ‘What the fuck’? Als je uitzoomt en leest over hoe klein we zijn, zo’n klein planeetje in zo’n enorm universum, en dan nóg zitten we elkaar het leven zuur te maken. Je wordt geboren in een wereld die door de eeuwen heen helemaal corrupt is gemaakt. Als ik daarover nadenk, dan heeft niks nog schoonheid voor mij. Maar het perspectief verandert. Dagelijks, om het uur. Als je simpeler kijkt, dan zie je de mooie dingen, zoals liefde. Dan besef ik dat het niet uitmaakt dat het leven geen zin heeft, dat is mijn romantische kant.”

Tamino groeide op in Mortsel, „een gat ergens buiten Antwerpen”. Moeder vernoemde hem naar een hoofdpersonage uit Die Zauberflöte van Mozart. Thuis speelde zij klassiek piano, draaide opera, maar evengoed zette ze de Beatles of Bob Dylan op. Toen hij drie jaar was, keerde zijn Egyptische vader terug naar zijn land van herkomst, om zich te richten op een zangcarrière. In navolging van opa, die in Egypte een legendarische zanger en acteur was. Wonend in België was Tamino ver verwijderd van zijn Egyptische wortels. „Mijn moeder draaide thuis zijn muziek: ze vond het belangrijk dat mijn broer en ik wisten waar we vandaan kwamen. Ik had daar afkeer van kunnen hebben, al die rare melodieën met kleine toonafstanden. Maar van heel jongs af aan had ik er een grote aantrekkingskracht toe.”

Muziek van de opa van Tamino:

Later vertaalde Tamino’s vader de teksten van grootvader uit het Arabisch: „Het waren nummers vol hartzeer. Die Egyptische zangers zingen stuk voor stuk over levens vol littekens en superromantische liefdes.”

In zijn eigen muziek gebruikt de Belg die wringende klanken maar al te graag. „Ik merk via Spotify dat mijn muziek in bijvoorbeeld Istanbul veel geluisterd wordt, en ik sta daar in een grote zaal die meteen uitverkocht was. Mijn muziek doet het beter in warme landen, daar zijn mensen emotioneler.”

Zeventien was de jonge Belg toen hij van Mortsel naar Amsterdam verhuisde voor zijn studie aan het conservatorium. Toen al zat Tamino met grote vragen, vertelt hij met een flauw lachje. „Eigenlijk was mijn wereld heel klein geweest, ik ging elke dag naar de middelbare school, maar ik haatte school. Ik wilde net genoeg punten om er zo snel mogelijk van af te zijn.” En dan Amsterdam: „Wam! Alles gaat open, de wereld komt tevoorschijn. Voor mij was de mindfuck dat mensen mij totaal anders ervaarden dan in mijn thuisstad. Dan dacht ik: ‘Fuck, wie ben ik eigenlijk?’.”

Aan de Nederlanders heeft hij best even moeten wennen. „In Amsterdam was ik de stille verlegen Belg die niks zei, omdat ik gewoon zo hard dichtklapte. Terwijl ik terug in België de gekke was onder m’n vrienden.” De eerste schooldag op het conservatorium was een vervreemdende ervaring: „Iedereen vroeg aan elkaar: ‘Hé, what’s up, hoe was je vakantie?’ Ik dacht: ‘Shit, iedereen kent elkaar al.’ Achteraf hoorde ik dat het de eerste keer was dat ze elkaar zagen.”

Het lukte hem om zich open te stellen, vrienden te maken. Dat hij in het derde jaar moest stoppen met zijn studie door de sneltrein die succes heet, neemt hij voor lief. „Nederlanders zijn praatgraag, maar ik heb ze inmiddels al vaak stil gekregen met mijn muziek.”

Tamino speelt op 29/6 op Down the Rabbit Hole en 18/8 op Pukkelpop.
    • Tjeu Derks