Pechverhalen zijn het fijnst, vooral die van een ander

Zomerpech Pech op vakantie? Geluk hebben is prettiger, maar pechverhalen zijn het fijnst om te vertellen.

Foto Istock

In april vlogen mijn man en ik naar een kleine stad in het zuiden van Japan. Een etmaal reizen, twee keer overstappen, om te beginnen in Frankfurt. Daar zouden we een uurtje hebben om onze vlucht naar Tokio te halen – krap, want het is een groot vliegveld, maar haalbaar. Toen bleek de vlucht van Schiphol naar Frankfurt ruim een half uur vertraagd. Zweten dus, in het vliegtuig naar Frankfurt. De gates voor aansluitende vluchten werden alvast omgeroepen – die van ons zat er niet bij. Die zouden we missen, en dus ook onze vlucht binnen Japan, en de eerste twee dagen van onze toch al korte reis. Wat een pech!

Maar in Frankfurt wachtte een dame in uniform ons op, die ons vervolgens half rennend door de douane en door het doolhof van de enorme luchthaven loodste. Af en toe keek ze om of we haar bijhielden en dan vertelde ze in haar oortje aan onzichtbare autoriteiten waar ze inmiddels was, „met de passagiers”. Ze leverde ons midden in het boarden van ons vliegtuig af. Gehaald. Wat een geluk!

Of wacht… Hadden we echt geluk gehad? Anderhalf uur lang hadden we chagrijnig zitten denken dat we onze vlucht zouden missen. Een first world problem, maar ik hoef het niet per se nog eens mee te maken.

Geluk en pech liggen dicht bij elkaar. Noorse psychologen schreven daar een aantal jaar geleden al een wetenschappelijk artikel over met de mooie titel Good luck and bad luck: how to tell the difference. Geluk hebben betekent vaak dat iets ergs, wat ook had kunnen gebeuren, niet gebeurd is, maar dat je er wél aan moet denken. Hoe vervelender dat erge had kunnen zijn, en hoe nipter je eraan ontsnapt bent, hoe meer geluk mensen vinden dat je had. Een vliegtuigongeluk meemaken en de enige overlevende zijn – nou, dán heb je geluk! Terwijl je dat niemand zou toewensen. Geluk heb je dus als je je eigen situatie met een ergere situatie vergelijkt die ook mogelijk was; pech heb je als je je eigen situatie met een mogelijke betere vergelijkt.

Daarnaast maakt het uit hoe je het verhaal over wat je hebt meegemaakt vertelt, tegen jezelf of anderen. Eindig je met iets positiefs („en zo haalden we onze vlucht”), dan heb je geluk gehad; eindig je met iets negatiefs („maar leuk was het allemaal niet”), dan kan dezelfde ervaring bijna als pech klinken.

Bijna, want in een goed pechverhaal wordt alles alsmaar erger, volgens de wet van Murphy: alles wat fout kán gaan, zál fout gaan. Je koffer komt niet aan, in Italië is geen bikini in jouw maat te koop, je krijgt een boete voor topless zonnen in je onderbroek, én een voor belediging van de agent-in-functie, en dan komt je koffer aan als je net weggaat. Ja, geluk hebben is het prettigst, maar pechverhalen zijn meestal het fijnst.

Lees ook: Zo kies je zonder stress de perfecte vakantiebestemming

Vooral die van een ander. Mensen vergelijken zich automatisch met elkaar, dus als iemand vertelt hoe zijn auto vastliep in de modder toen hij weg wilde van de ondergelopen camping, voel je je vanzelf een beetje beter, doordat jij dat niet hebt meegemaakt. Al kun je je ook beter voelen door je eigen mooie pechverhaal. Dat je het kunt vertellen, betekent dat je die pech te boven bent gekomen. In die zin wordt het bijna een geluksverhaal: uiteindelijk, buiten de context van het verhaal zelf, is het allemaal goed afgelopen.

Ergens de humor van inzien is gezond

Dat maakt pechverhalen, mits niet te dramatisch, ook vaak grappig. Volgens een bekende humortheorie moeten we lachen als iets wat eerst gevaarlijk leek, dat toch niet blijkt te zijn. Verder is ergens de humor van inzien sowieso al goed voor je, en die vrolijkheid delen met anderen voelt extra prettig. Het vergroot ook de kans dat die hun pechverhalen een keer aan jou vertellen, want mensen houden van symmetrie in relaties.

En pech kan nóg een positief effect hebben: je kunt het gevoel hebben dat je ervan geleerd hebt en dat het dus een zinvolle ervaring was. In het boekThe Psychology of Meaning (2013), hoofdstuk Finding silver linings, schrijven psychologen dat mensen hun alledaagse negatieve ervaringen graag als zinvol zien omdat dat zo’n vaag begrip is dat je bijna altijd wel een reden kunt bedenken waarom iets zinvol zou zijn. Zo kun je je pech-ervaringen positief reframen (‘doordat ik de auto total loss reed, zag ik eindelijk in dat ik een bril moest’) en vasthouden aan het beschermende idee dat de meeste psychisch gezonde mensen onbewust hebben: ‘ik ben een goed mens, dus mij overkomen alleen goede dingen’.

Lees ook: Wie gaat er nog op de bonnefooi op vakantie?

Al met al heeft pech zo veel voordelen – het wordt daarna alleen maar beter, achteraf heb je een goed verhaal, je kunt erom lachen, je doet je vrienden er een plezier mee, je leert ervan, je leven voelt zinvoller – dat sommige mensen het zichzelf gráág moeilijk maken. Die gaan het liefst op reis boven de boomgrens, de poolcirkel of anderszins buiten hun comfort zone, en regelen zo in feite hun eigen beren op de weg of in de tent. Maar vergis je niet: dát is geen echte pech; het is zelfgezocht ongeluk. Pech is meer mijn tante die op skivakantie haar been brak toen ze over het badmatje struikelde. Een goed pechverhaal bedelt niet om bewondering; het heeft iets lulligs.

En dan die pech aan een ander vertellen.

    • Ellen de Bruin