Foto Jean-Louis Fernandez

Het lijf van Akram Khan is murw gedanst

Akram Khan ‘Xenos’, de laatste solo-voorstelling van de toonaangevende danser-choreograaf Akram Khan, is een rouwklacht. Om de mens, die niet wil leren van het verleden. En misschien ook om zijn lichaam, dat dienst weigert.

Keer op keer klautert hij weer tegen de wal op, het vijandelijk vuur tegemoet. Kruipend en klauwend, duikend en vallend. Kabels leggend, maar voor wat, voor wie? „Voices in the mud”, fluistert een stem. „They are already dead.”

Xenos, te zien tijdens Julidans, is Akram Khans portret van een Indiase soldaat die tijdens de Eerste Wereldoorlog meevecht voor het Britse Rijk en gaat soms door merg en been. Fysiek breekbaar, mentaal gebroken, totaal verlaten, ontworteld en vervreemd. In het dagelijks leven danser op huwelijken en traditionele vieringen, moet hij, onder de wapenen geroepen, zien te overleven in de loopgraven op een vreemd continent. Zijn leven is gereduceerd tot een confrontatie met de elementen water, lucht, aarde en vuur. Vooral vuur. Zijn ghungroos (enkelriemen met bellen) transformeren tot munitiegordels, het ritme van zijn voetroffels gaat over in mitrailleurvuur. Ook als de oorlog allang voorbij is. De danser/soldaat is een van de anderhalf miljoen, in de geschiedschrijving vaak genegeerde Indiase strijders van het Verenigd Koninkrijk. Hij lijdt aan shell shock.

„Ik had nooit gehoord over die Indiase soldaten”, vertelt de vermaarde Brits-Bengaalse danser in de kleedkamer van het Sadler’s Wells Theatre in Londen. „Niet op school, nergens. Er werd niet over gesproken. Pas sinds kort wordt een begin gemaakt met een meer driedimensionale geschiedschrijving, voorheen was het merendeels een Angelsaksische aangelegenheid.”

Het doodgezwegen verleden maakte hem boos. Maar het gaat migrantenzoon Khan in Xenos, Grieks voor ‘vreemd’ of ‘de vreemde’ niet alleen om de Indiase soldaten („er waren ook Caribische rekruten”), noch puur om het verleden. „Dit – oorlog, chaos en discriminatie – gebeurt nú en is hetzelfde als de xenofobie en het populisme van voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Telkens herhalen we dezelfde fouten, houden we vast aan systemen en privileges die de hele wereld naar de afgrond drijven.”

Zorgen om de mensheid

Ook in eerdere voorstellingen, waarvan veel in Nederland te zien waren, verwerkte hij zijn zorgen om de mensheid en het milieu al eens. Impliciet, gebruikmakend van metaforen en (Indiase) mythologie – Khan bedrijft geen theatraal pamflettisme. „Met al dat pamflettisme schiet je in het theater niets op. Dat is of je het publiek met je vuist bewerkt. De magie van kunst is dat je die vuist kunt ontspannen” – hij steekt een geopende hand uit – „zodat de ander zich niet schrap hoeft te zetten. Er ontstaat ruimte voor een dialoog.”

Veel illusies maakt hij zich echter niet over een beklijvend effect van zijn boodschap. Hij vertelt hoe hij na de voorstelling door het raam van de kleedkamer het publiek op straat kan horen napraten. „Dit stuk gaat over rouw. We moeten rouwen, en onze fouten onder ogen zien. Dat probeer ik met alles wat ik in me heb over te brengen. Na afloop ben ik kapot. En dan hoor ik de mensen buiten superblij praten, opgewonden over de show. Zij zijn onmiddellijk weer omgeschakeld naar het gewone leven.” Scheve glimlach. „Dat is niet verkeerd, ik geef ze geen ongelijk, maar het is zó’n hemelsbreed verschil. Ik hoop eigenlijk dat het publiek met mij wil rouwen.”

Het is verleidelijk om een link te leggen tussen de wanhopige strijd van de soldaat op het toneel en het gevecht dat Khan elke dag levert. Om het ene uur dat Xenos duurt te kunnen volbrengen, moet hij dagelijks acht uur trainen. „Ik kan mijn danstraining thuis doen, maar ik moet ook naar de sportschool, stomme fitnessoefeningen doen met gewichten. Dat haat ik.”

Het is pure noodzaak. Niet per se wegens zijn leeftijd (Khan is 43); het is de schade die vele, steeds frequenter optredende blessures hebben aangericht. Zijn lichaam is murw en heeft zich als het ware teruggetrokken, zegt hij. „Als je je goed voelt, klaagt het niet. Tegenwoordig is het lichaam” – zoals veel dansers spreekt hij erover als een onafhankelijke entiteit – „voortdurend angstig voor pijn en blessures. Het is alleen nog gericht op zijn veiligheid. Maar daar gaat dans niet over. Dans zou bevrijdend moeten zijn. Dat voel ik niet meer. Daardoor inspireert mijn lichaam mij niet meer.”

Hoewel hij als choreograaf ándere lichamen tot zijn beschikking heeft om zijn creativiteit in te gieten, was het niet makkelijk een punt te zetten (na de tournee van Xenos) achter zijn solovoorstellingen. Die vormden de basis van zijn roem in de danswereld. Peter Brook ontdekte Khan toen die als tiener al excelleerde in de Noord-Indiase kathak-dans, bekend van de ritmische voetroffels en het samenspel met de gezongen bols, de even ritmische monosyllaben. Gebruikmakend van moderne danstechnieken creëerde hij ‘contemporary kathak’ en veroverde de wereld. Met zijn charismatische toneelpersoonlijkheid was hij voor kunstenaars uit uiteenlopende disciplines een gewilde partner. Hij danste met geestverwant en multiculturalist Sidi Larbi Cherkaoui, flamenco-avant-gardist Israél Galván én de klassieke superballerina Sylvie Guillem, trad op met actrice Juliette Binoche, choreografeerde een clip voor popzangeres Kylie Minogue en de dansdelen van de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Londen.

Kathak bleef een bron van inspiratie. Eens in de zoveel jaar produceerde hij met veel succes soloprogramma’s met traditionele en contemporary kathak, indrukwekkend door de precisie waarmee hij flitsende draaisequenties, markante armgebaren en ingewikkelde voetritmes combineerde.

Vanaf 2020 zal hij zich concentreren op choreograferen voor de Akram Khan Company of bijvoorbeeld – zijn volgende project – een massachoreografie voor honderden dansers van uiteenlopende achtergronden in stijl en techniek. Uitnodigingen van gerenommeerde gezelschappen heeft hij voor het uitkiezen.

Twee jaar geleden maakte hij voor het English National Ballet een hedendaagse versie van Giselle, naar het romantische ballet uit 1841, beroemd om de ensembles van witte geestverschijningen. Meer dan ooit moest hij buiten zijn comfort zone treden. Giselle is in Groot-Brittannië het meest geliefde ballet („Don’t mess with Giselle!”), bovendien wilde hij per se met spitzen werken om ook het klassieke publiek geïnteresseerd te houden. „Oh my God, ik heb het geprobeerd! Ik weet niet hoe die vrouwen dat doen.”

Khan veranderde de landarbeiders uit de oorspronkelijke Giselle in arme migranten. De geesten in de tweede akte werden omgekomen werkneemsters van een textielfabriek. Volgend seizoen staat de breed bejubelde productie op het repertoire van Ballet Vlaanderen.

Helemaal afscheid nemen van het toneel wil overigens hij niet. Hij denkt daarbij aan kleine, cameo-achtige rollen. Om verbonden te blijven met de dansers en zich bewust te blijven van het gevoel op een toneel staan. „Dat is mijn thuis. Als ik maar in één keer, opgewarmd en al, op toneel kon staan, zou alles oké zijn. Maar de weg ernaartoe breng ik niet meer op.”

    • Francine van der Wiel