Recensie

Kupka schildert een symfonie van gevoelens

Tentoonstelling Het Grand Palais in Parijs pakt groots uit met Frantisek Kupka. Zaal na zaal na zaal is het genieten.

Frantisek Kupka, Grand nu. Plans par couleurs, 1909-1910. Olieverf op doek, 150,2×180,7 cm. foto Adagp, Parijs/ Guggenheim foundation New York

‘Pionier van de abstractie’. Met die ronkende woorden typeert het Grand Palais in Parijs zijn mega-expositie van Frantisek Kupka (1871-1957). Nou zei Kupka dat „een kunstwerk een feest moet zijn”, en als ik het Grand Palais was geweest had ik het hier ‘La fête sans cesse’ genoemd. Want dat is wat zich ontrolt, zaal na zaal na zaal: een feest van verf, en van ophouden wil het niet weten.

Deze tentoonstelling gaat van start met twee portretten die Kupka maakte van Eugénie Straub, oftewel ‘Nini’. Echtgenote van een militair. Sinds 1904 verliefd op Kupka en hij op haar. Zes jaar later, in 1910, trouwden ze.

Daar hangen ze, naast elkaar. Ze verschillen zo sterk dat het lijkt of ze door twee Kupka’s geschilderd zijn. Het linkerschilderij maakte hij van 1905 tot 1909. De aanstaande madame Kupka buigt licht voorover, met haar ogen wenkt ze haar geliefde naar zich toe. Dit schilderij is Kupka’s antwoord op die zwoele blik: hij kan haar wel opvreten.

Frantisek Kupka, Madame Kupka dans les verticales, 1910-1911. Olieverf op doek, 135,5×85,3 cm. Foto Adagp, Parijs/ MoMA, New York/ Scala, Florence

Het rechterschilderij is uit 1911. Nini zit niet meer, ze staat. Dat raad ik, zeker weten doe ik het niet, want ze is versmolten met opwaartse kleuren. Of neerwaartse, kan ook. Vuurwerk. Verfwerk. In het midden schilderde hij haar gezicht. Ze gluurt tussen haar wimpers door, en glimlacht naar hem.

Er zit twee jaar tussen deze portretten. Met het eerste schildert Kupka wat Nini uitstraalt. In het tweede schildert hij dat óók, maar daarbij dat hij, haar man, een schilder is. En die schilder verbeeldt wat zij elkaar doen. Hij schildert zijn gevoelens, hij schildert haar gevoelens, hij schildert de symfonie van hen beiden. Hij beeldt iets onzegbaars af.

Frantisek Kupka was een Tsjechische schilder die in 1896 neerstreek in Parijs om daar nooit meer weg te gaan. Hij verdiende aanvankelijk zijn brood als illustrator en als politieke en satirische tekenaar. Hij kon alles, hij kon maken wat hij wou. Hij tekent scherp en grappig en elegant, in de stijl van de art nouveau. Met monsters, meesterlijke details en lichtelijk zwartgallig.

Onvermoede wegen

Het Grand Palais arrangeert het zo dat we uit die tekenaar de schilder zien ontbranden, via een schilderij dat bijna leeg is. De inktpen gaat te snel en te makkelijk, het penseel opent onvermoede wegen. De verhaaltjes maken plaats voor gevoel.

Was Kupka de eerste in de geschiedenis van de hedendaagse kunst die een abstract schilderij heeft gemaakt? Ze zeggen het. Daar hangt het bewijs: Les touches de piano. Le lac heet het. Kupka schilderde het in 1909. Maar super-abstract is het ook weer niet. Er zijn een meer, een bootje en een bosrand, rechtsonder bespeelt een hand pianotoetsen. Middenin het doek duikt Kupka de abstractie in. Daar vliegen de pianotoetsen op. Ze krullen zich tot kleuren. Ze veranderen in een melodie. zo schildert Kupka de pianomuziek, die beweegt in zijn oren, in zijn hersenen, in zijn hart.

Nu waren er in die jaren heel veel meer schilders die de stap naar de abstractie zetten. Tussen 1910 en 1915 was de schilderkunst er blijkbaar aan toe. Bovendien was de Russische occultiste, het medium Helena Blavatsky in de mode. In artistieke kringen werd gezworen bij haar pseudo-religieuze theosofie. Dat leidde tot navenante humbug in geschrifte (Mondriaan formuleerde onleesbare theorieën) en tot pathetisch symbolische kunst.

Zo schilderde Kupka (in La vague, 1902-03) Nini bloot op haar hurken op een rots aan de kust, met een golf in aantocht en haar ziel op het spel. Maar de theosofische modegril zette de kunstenaars op het spoor van het willen afbeelden van het onzichtbare. De figuratieve kunst schoot tekort, abstractie klopte aan de deur.

Hij toont zichzelf als lezer

Kandinsky, Delaunay, Malevitsj, Mondriaan – wie maakte het eerste abstracte kunstwerk? Kupka was er in 1909 vroeg bij, dat is een feit. Maar kijk naar de waterleliestudies van Monet en je ziet het al gebeuren, en die zijn van 1890. Kupka schilderde al in 1907 La gamme jaune, een verbijsterend zelfportret dat ook in het Grand Palais te zien is.

Anders dan zijn collega’s die zich voor hun zelfportretten graag als schilder-in-actie laten zien, toont hij zichzelf als een lezer. Een lezer die verder wil lezen, vandaar die wijsvinger tussen de bladzijden van zijn boek, daar is hij gebleven. Strikt genomen is La gamme jaune geen abstract schilderij, maar het neigt er wel toe.

Alle kleuren zijn geel-gerelateerd. Behalve Kupka’s ogen, dat zijn poederblauwe vegen. Hij heeft ze dicht, lees ik in de beschrijving, maar ik zie blauwe gaten. Ze vuren me aan om naar binnen te kijken, in zijn hoofd waar de inhoud van het boek rondtolt. En dat is een uitermate abstract idee. Want hersenactiviteit en emoties zijn een onzichtbaar spinsel en onmogelijk af te beelden – tenzij je zorgt dat de bekijker van het schilderij het zelf aanvult, met eigen gedachten en gevoelens.

Kupka sprak van „mon evasion de la peinture traditionelle”, mijn vlucht uit de traditionele schilderkunst. Hij kwam uit bij abstractie, maar een purist was hij dus niet.

Frantisek Kupka. Portrait de famille, 1910. Foto Adagp, Parijs/ MoMA, New York/ Scala, Florence

Het Grand Palais hangt zijn Portrait de famille uit 1910 naast het Grand nu. Plans par couleurs uit 1909-1910. Tegelijk geschilderd, heel verschillend. Hun combinatie is enerverend en op zich al een reden om naar Parijs te gaan. Normaal hangt het ene in Praag en het andere in New York, ze zijn niet vaak samen te zien. Nu wel en met knaleffect. Madame Kupka kijkt als het ware zichzelf aan op deze doeken, die elkaar spiegelen: links zien we haar op haar rug, rechts zien we haar van voren; benen naar rechts, benen naar links; Nini gekleed, Nini naakt; Nini als mens, Nini als vorm.

In het familieportret ligt Nini op haar zij in het gras. Haar dochtertje en een attent hondje kijken ons aan, die wijzen ons erop dat we een stukje van de wereld binnen kijken. Intussen beeldhouwt Kupka Nini’s lichaam, via haar jurk en laarsjes, tot een abstractie in rood, roze en blauw.

In het Grand nu verlost Kupka Nini’s grote naakte lichaam van de realiteit door het te herleiden tot vlakken, lijnen en kleuren. Maar hoe abstract is dit? Die sensuele linkerdij alleen al.

Primaire kleuren aan barrels

Wat inzette met Les touches de piano houdt aan. In het Grand Palais is te zien hoe Kupka weggroeit van de figuratie en zich steeds verder ontwikkelt naar de complete abstractie. Het wemelt van de reacties, series en stromingen die hij omarmde.

Kupka’s verlangen om het effect van muziek op te roepen blijft hem leiden, en loopt in de jaren twintig uit op geschilderde composities waarmee hij markeert wat de dans met hem doet, met als hoogtepunt La Foire (Contredanse). Dit 2,38 meter brede schilderij uit 1921-’22 gaat geometrisch en kaleidoscopisch tekeer, terwijl het de primaire kleuren aan barrels slaat.

Kupka was geïnteresseerd in verwante zielen en schuwde hun invloed niet, integendeel, hij wilde alles proberen. Als hij bevriend raakt met Theo van Doesburg schildert hij in diens stijl. Hij maakt ook een soort Mondriaans. Degelijk werk, maar nooit bijster spannend, het is meer of hij met blokken speelt. Die doeken missen zijn hypergevoelige nieuwsgierigheid naar wat er allemaal in hem beweegt. En dus zien we hem telkens als een haas terugkeren bij zijn eigen ontwikkeling. Que la fête continue…

    • Joyce Roodnat