Indiase nagelindrukken uit de tiende eeuw

Aziatische kunst Bekend zijn ze niet, toch bezet hun collectie twee zalen in het Rijksmuseum: de Vrienden van de Aziatische Kunst bestaan 100 jaar.

Hemelse Schone (India, 950 na Chr., zandsteen, hoogte 94 cm). Verworven in 1934 door de VVAK. Foto Vrienden van de Aziatische Kunst

Je moet even goed kijken, maar als je het ziet kun je je ogen er niet vanaf houden: vier boogjes in de huid van haar blote schouder, drie bij haar slaap. Nagelindrukken zijn het, erin geplant door haar minnaar. En ze zijn meer dan duizend jaar oud: het verleidelijke zandstenen beeld Hemelse Schone werd in de tiende eeuw gemaakt voor een Indiase tempel. Sinds 1934 is het te zien in Amsterdam.

Ook niet meteen opvallend: onderaan het tekstbordje met uitleg („De nagelindrukken verraden dat ze zojuist nog in gezelschap was”) staat VVAK, afkorting voor Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst. Die vereniging bestaat op 1 juli precies honderd jaar en heeft in die tijd een collectie van 1.850 Aziatische kunstvoorwerpen opgebouwd, waaronder dit tempelbeeld. De VVAK telt 650 leden (onder wie steeds meer jongeren) en bezet twee speciaal voor de verenigingscollectie ontworpen zalen in het Rijksmuseum.

Maar bekend? Nee, dat niet.

„Ons voordeel is ook ons nadeel”, zegt voorzitter Pieter Ariëns Kappers: bezoekers zien in het Aziatisch Paviljoen sculpturen, rolschilderingen en houtsnedes van de VVAK, maar dénken dat die toebehoren aan het Rijksmuseum.

Nadeel: „Het grote publiek kent onze vereniging dus nauwelijks.”

Voordeel: „Elk jaar weer zien honderdduizenden belangstellenden belangrijke stukken uit onze collectie.”

Nog een voordeel: die collectie wordt onderzocht en beschreven door niet minder dan zes conservatoren (vijf voor Aziatische kunst, één voor Japanse prenten).

Vermogende kunstliefhebbers

Ye Shuangshi, Zilver fazanten onder lentebloesems, ca. 1500, China, rolschildering, inkt met waterverf op zijde.

Foto Vrienden van de Aziatische Kunst

En belangstelling en bestudering was precies wat de oprichters voor ogen stond, toen een gezelschap van vermogende kunstliefhebbers de VVAK oprichtte op 1 juli 1918. Dat was niks te vroeg, in de VS, Frankrijk en Duitsland waren al eerder dergelijke verenigingen ontstaan: Aziatische kunst stond indertijd symbool voor esthetische beleving, je kon de voorwerpen vinden in kostbare, smaakvol-eigentijdse interieurs van de elite.

In 1919, een jaar na oprichting, telde de vereniging al 230 leden: vermogende verzamelaars, bekende namen. Dat jaar organiseerde de VVAK de eerste expositie, over Oost-Aziatische kunst. In 1922 en 1925 volgden tentoonstellingen over Indische beeldhouwkunst en Chinese kunst.

Het ging de leden nadrukkelijk om de artisticiteit van objecten, dus niet om kunstnijverheid, gebruiksvoorwerpen of etnografica. De kunst werd met het oog daarop gekocht of verworven. Ariëns Kappers: „Er is nu veel discussie over koloniaal erfgoed: provenance is ongehoord belangrijk – en terecht. Onze objecten zijn allemaal legaal verkregen. We nemen ook wel eens een aanbod niet aan, wanneer er gaten zitten in de verwervingsgeschiedenis.” VVAK-oprichter H.F.E. Visser ging op zijn eerste aankoopreis naar Azië met 150.000 gulden op zak, bijeengebracht door dertig donateurs. Verder is de collectie opgebouwd met legaten en schenkingen.

Zo serieus werd de vereniging bij oprichting meteen genomen, dat die mocht deelnemen aan de toenmalige discussie over de toekomst van rijksmusea. Een eigen museum kwam er ook, zij het dat dit Museum van Aziatische Kunst in 1932 werd gehuisvest in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Later verhuisde het museum naar een (grotere) zaal in het Rijksmuseum, waar de collectie sinds 1972 als langdurig bruikleen deel uitmaakt van de afdeling Aziatische kunst. In het in 2013 geopende Aziatisch Paviljoen staan kunstobjecten van Rijks en VVAK nu door elkaar.

Chinese zilverfazanten

In dit jubileumjaar hebben ze voor het eerst ook gezamenlijk een kunstwerk aangekocht, de vijftiende-eeuwse rolschildering Zilverfazanten onder lentebloesems van de Chinese kunstenaar Ye Shuangshi. Ariëns Kappers: „Vooral in lustrumjaren krijgen we extra schenkingen of doen we een majeure aankoop. Ye Shuangshi schilderde waarschijnlijk aan het keizerlijke hof, dit is een van de twee van hem bekende werken.”

Weer een voordeel: het Rijksmuseum heeft een professionele afdeling voor marketing en pr, de aankoop van Silver Pheasants under Spring Blossoms kreeg internationale aandacht.

Moet de vereniging bekender worden bij het grote publiek? En nog groeien? Ariëns Kappers: „Jazeker, al moet je realistisch blijven. Wij zijn een gespecialiseerde vereniging, pakweg de helft van onze leden is verzamelaar, de anderen zijn liefhebbers.” Met het oog op groei is vijf jaar geleden een speciale jongerenkring opgericht, Ikigai (Japans voor ‘reden van bestaan’). De leden ervan zijn tussen de vijfentwintig en vijfenveertig jaar, ze gaan bijvoorbeeld samen naar de Tefaf in Maastricht of de Asian Art-week in Londen.

Op 16 september opent in de Nieuwe Kerk in Amsterdam de expositie ‘Het leven van Boeddha, de weg naar nu’, met zowel hedendaagse kunst (Ai Weiwei, Yoko Ono) als sculpturen uit de ‘deelcollectie boeddhistische kunst’ van de VVAK. De tekst voor de publicatie is al klaar. „In museale kringen en bij verzamelaars van Aziatische kunst zijn de collectie en de vereniging bekend, maar met deze expositie hoopt de jubilerende VVAK ook een breder publiek van belangstellenden te bereiken.” Belangrijkste gast bij de openingsceremonie: de dalai lama.

De volledige collectie van de VVAK is te zien op: www.vvak.nl
    • Gretha Pama