Recensie

De oorlog die van Europa een weerzinwekkend slachthuis maakte

Europese geschiedenis

De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) was als een zwart gat dat alles in zijn omgeving verzwolg. De Zweed Dick Harrison durft het aan om deze verschrikkelijke oorlog, waarbij een kwart van de Duitsers stierf, in één boek te beschrijven.

De Dertigjarige Oorlog door Jusepe Leonardo (1601-1656), 1638. Photo: Getty Images

Het was een slecht voorteken – een héél slecht voorteken. Hans Heberle, een schoenmaker in het zuiden van Duitsland, keek in het najaar van 1618 vol angst naar de hemel. Eerst ’s nachts, maar later ook overdag was daar een vuurbal te zien die een lange staart achter zich aan trok. Dit kon maar één ding betekenen: er was onheil op komst.

Heberle noteerde in 1630 zijn herinneringen aan dit hemelse fenomeen. ‘In 1618 verscheen een grote komeet als een geweldige en vreselijke zweep, waarmee God ons krachtig bedreigde als straf voor ons zondige leven, [een straf] die we echt verdienden en nog steeds dagelijks verdienen. [...] Het doet me hete tranen huilen als ik bedenk wat hij betekende en wat daarna nog zou volgen, zoals we helaas ervaren, en nog ervaren, keer op keer.’

De komeet had inderdaad zijn vreselijke belofte ingelost, want in 1618 was er een oorlog uitgebroken die tot 1648 zou duren en van Europa een weerzinwekkend slachthuis maakte. Aan het eind van deze Dertigjarige Oorlog was het continent voorgoed veranderd: de moderne tijd was geboren, ten koste van miljoenen doden.

De Dertigjarige Oorlog is zo ongelooflijk veelzijdig, dat alleen een bijzonder stoutmoedig historicus het in zijn hoofd haalt het hele conflict in één boek te beschrijven. Zo’n werk was in het Nederlands dan ook niet voorhanden, maar met de publicatie van De Dertigjarige Oorlog. De allereerste wereldoorlog 1618-1648 van de Zweedse historicus Dick Harrison (1966) is die leemte nu gevuld.

In een kraakheldere vertaling komen alle aspecten van de oorlog aan bod: de grote geopolitieke kwesties, de tactische finesses van belangrijke veldslagen, de kleurrijke hoofdrolspelers en vooral het oneindige leed van de gewone man en vrouw. Harrison heeft een indrukwekkend aantal dagboeken, memoires en brieven ontsloten. Daaruit stijgt het gejammer op van boeren en burgers die genadeloos worden vermalen door de geschiedenis.

Meer honger na elke hap

Voordat hij over de gebeurtenissen schrijft, zet Harrison de rode lijnen uit die de lezer houvast moeten bieden op zijn tocht langs zeshonderd pagina’s plunderingen, veldslagen en belegeringen. Hij vraagt zich af wat voor soort oorlog de Dertigjarige Oorlog eigenlijk was, uit welke ingrediënten het conflict bestond.

Ten eerste was er natuurlijk de religie. Sinds Maarten Luther was Europa niet langer uitsluitend katholiek. Vooral in het noorden kreeg het protestantisme snel voet aan de grond. Vanaf de Vrede van Augsburg (1555) gold het principe: cuius regio, eius religio (van wie het land is, is ook de godsdienst), waarbij de heerser bepaalde wat zijn onderdanen geloofden. In Duitsland, versnipperd in tientallen grote en kleinere staten, was er zo een onoverzichtelijke religieuze lappendeken ontstaan. Rooms-Duits koning en keizer Ferdinand II van Habsburg zag dit alles vanuit zijn Weense paleis met lede ogen aan. Als overtuigd katholiek wilde hij graag de klok terugdraaien.

De strijd golfde heen en weer, maar nooit was er een goed moment om er een eind aan te maken.

En niet alleen omdat de ware leer hem na aan het hart ging. De Dertigjarige Oorlog ging ook over de machtsverhoudingen in Europa. De Habsburgers zaten behalve in Oostenrijk ook op de troon in Spanje (en de zuidelijke Nederlanden) en wilden hun macht bestendigen en uitbreiden. Dat leidde tot ongerustheid in landen als Frankrijk en Denemarken, maar ook binnenshuis werden ze met argusogen gevolgd. De meeste Duitse vorsten, katholiek of protestant, moesten niets hebben van de pogingen van Ferdinand II om meer vat te krijgen op het rijk waarover hij de scepter zwaaide.

Ten slotte werden ook veel kleine brandhaarden – in Zwitserland, in Italië, op de Balkan – al snel onderdeel van het grote conflict. De Dertigjarige Oorlog was een zwart gat dat alles in zijn omgeving verzwolg: na elke hap werd de honger groter.

Dit complexe spel van religieuze, geopolitieke en lokale factoren zorgde ervoor dat de oorlog een niet te stuiten dynamiek kreeg. De strijd golfde heen en weer, maar nooit was er een goed moment om er een eind aan te maken. Wie aan de winnende hand was, wilde zijn zegereeks voortzetten. Wie net een nederlaag had moeten slikken, wilde eerst zijn fortuin keren alvorens over vrede te spreken.

Uit het raam gegooid

Alle ellende begon op 23 mei 1618 met de bekendste valpartij uit de geschiedenis: de defenestratie van Praag. Opstandige protestantse edelen gooiden twee vertegenwoordigers van Ferdinand II uit het raam van de Burcht. Ze overleefden de val – omdat ze door engelen waren opgevangen (aldus de katholieken), of omdat ze op een mesthoop belandden (aldus de protestanten). Ferdinand was al een tijd op zoek naar een stok om de eigengereide Bohemers mee te slaan, en had die nu gevonden.

Lees ook de geschiedenisspecial: 1918: het jaar van nationalisme in een brandend Europa

De Bohemers kozen Frederik V, keurvorst van de Palts, tot hun koning. Hij was een prominent lid van de Protestantse Unie, maar al gauw bleek dat dit verbond van Duitse staten niet was opgewassen tegen de legers van de Habsburgers en de aan hen gelieerde Katholieke Liga. De keizerlijken versloegen de opstandelingen in november 1620 tijdens de Slag op de Witte Berg bij Praag en hierna verjoegen de Spanjaarden Frederik uit zijn eigen Palts. De keurvorst vluchtte naar de noordelijke Nederlanden, die al sinds 1568 met Spanje in oorlog waren.

De eerste fase van de oorlog was hiermee geëindigd in een klinkende overwinning voor de Habsburgers. Dat leidde tot een reactie van twee belangrijke protestantse vorsten – de koningen van Denemarken en Zweden – en van Frankrijk, een katholiek land dat het Spaans benauwd kreeg van de Habsburgse legers die zich aan zijn zuidelijke, oostelijke en noordelijke grens bevonden. Kardinaal Richelieu, die namens koning Lodewijk XIII in Parijs aan de touwtjes trok, besloot aanvankelijk niet het Franse leger, maar Frans geld in te zetten om het tij te keren. Hij financierde de veldtochten van Christiaan IV van Denemarken en Gustaaf II Adolf van Zweden. Vooral Gustaaf Adolf was bijzonder succesvol. Hij drong diep in Duitsland door en maakte naam bij de veldslagen van Breitenfeld (1631) en Lützen (1632). Tijdens dit laatste treffen kwam hij echter om het leven, en toen de Habsburgers de Zweden bij Nördlingen (1634) verpletterend versloegen, leek het erop dat de keizer aan het langste eind zou trekken.

Dat was voor Richelieu onverteerbaar en dus wierp Frankrijk nu zijn eigen leger in de strijd. In de jaren 1637-’39 was de oorlog in balans, maar daarna lukte het Frankrijk en Zweden de Habsburgers in het defensief te dringen. De gevechten duurden voort tot 1648, toen de moegestreden partijen in Münster en Osnabrück eindelijk de vrede tekenden.

Plunderende huurlingen

Alle hierboven genoemde veldslagen en belegeringen werden uitgevochten met behulp van huurlingen. (Alleen de Zweden kenden een dienstplicht.) Zo’n huurling kon soms jarenlang dienen onder keizerlijke veldheren, maar wisselde net zo makkelijk van partij. Een huurling vocht voor zijn soldij. Als hij dat niet op tijd kreeg, zorgde hij al plunderend voor zijn onderhoud. En ook als ze hun soldij wel kregen, kon menig huurling het roven niet laten. Een stad kon zo’n plundering vaak nog afkopen met het betalen van een forse schatting, maar de miljoenen boeren in Duitsland hadden die mogelijkheid niet. De rondtrekkende legers waren voor hen een kwelling die nooit ophield.

In Duitsland stierven ook nog eens vijf miljoen burgers, ongeveer 25 procent van de bevolking.

Harrison slaagt er wonderwel in je dertig jaar lang bij de hand te nemen. Pas aan het eind van de oorlog, als het een gevecht van allen tegen allen is geworden en vorsten van partij wisselen al naar gelang het hun uitkomt, is het af en toe moeilijk om de draad te blijven volgen. Ooggetuigenberichten die, hoe aangrijpend ook, de chronologie onderbreken, maken het er dan niet makkelijker op. Hier had de auteur iets meer maat kunnen houden.

Als Harrison aan het eind van zijn tour de force de rokende puinhopen van Europa in 1648 overziet, kan hij de rekening opmaken. Hij becijfert dat tussen de 800.000 en een miljoen soldaten sneuvelden tijdens het conflict. In Duitsland stierven ook nog eens vijf miljoen burgers, ongeveer 25 procent van de bevolking. In streken als Pommeren en Brandenburg verdween zelfs veertig procent van de bevolking. In de overige landen die bij de oorlog betrokken waren, kwamen waarschijnlijk nog eens vijf miljoen mensen om. (Ter vergelijking: in Europa sneuvelde tijdens de Eerste Wereldoorlog 5,5 procent van de bevolking en tijdens de Tweede Wereldoorlog 6 procent.)

Lees ook: Terreur? Vroeger meer doden in Europa dan nu

De Dertigjarige Oorlog was, aldus Harrison, de laatste keer dat Europeanen serieus probeerden met geweld hun buren een geloof op te leggen. ‘De heersers van de vroegmoderne staten waren nu zo machtig geworden dat ze God niet nodig hadden als alibi in conflicten met andere staten.’

Een ander gevolg was dat de kaart van de Europese grootmachten opnieuw werd getekend. Frankrijk was de machtigste staat van het continent geworden. Ten slotte behoorde ook de Duitse vorsten tot de overwinnaars. De heersers van Beieren, Brandenburg en Saksen breidden hun macht en grondgebied uit. Duitsland bleef een lappendeken, een ‘euvel’ dat pas verholpen werd in 1871 toen Bismarck de natie verenigde in een keizerrijk.

De gewone mannen en vrouwen van Europa waren van deze ontwikkelingen allemaal niet op de hoogte. De meesten van hen hadden in hun volwassen leven nog nooit vrede meegemaakt. Zij moesten nu een bestaan opbouwen. Harrison besluit zijn boek met een briefje uit een familiebijbel uit het dorp Gerstetten in Zuid-Duitsland. ‘Ze zeggen dat de verschrikkelijke oorlog nu voorbij is. Maar het voelt nog niet alsof het vrede is. Overal is afgunst, haat en ergere dingen – de oorlog heeft ons dat geleerd. Er zijn maar een paar huisjes over in het dorp. Wij mensen leven als dieren, eten schors en gras.’ De schrijver besloot echter de schouders eronder te zetten. ‘Alle anderen zeggen dat het niet echt vrede is, dat de soldaten zeker nog een keer hier zullen komen, dat het zinloos is om iets te doen. Maar wij geloven dat God ons niet heeft verlaten. We moeten allemaal bij elkaar blijven en werken, binnen en buiten.’

Deze boer wist: gezamenlijk de ziel en het land opnieuw vormgeven, dat was de enige manier om deze Dertigjarige Oorlog af te sluiten.

    • Bart Funnekotter