Barones Elsa: de vergeten vrouw achter Duchamps pispot

Elsa von Freytag-Loringhoven

Wie was de illustere barones die genoemd wordt als maker van Duchamps urinoir? Ze zwiert door de memoires van menig kunstenaar, maar is zelf nagenoeg vergeten.

Foto uit ‘Baroness Elsa’ Elsa von Freytag-Loringhoven, Dada Portrait of Berenice Abott, ca. 1923-1924

‘Ze droeg tinnen tomatenblikjes om haar tepels, op hun plek gehouden door een groene draad om haar nek”, zo omschrijft kunstenaar George Biddle de vrouw die in 1917 zijn atelier in Philadelphia binnenliep om voor hem te poseren. „Tussen die tomatenblikjes hing een piepklein vogelkooitje met een levende kanarie erin. Om haar arm droeg ze van pols tot schouder gordijnringen, die ze, zo gaf ze later toe, gestolen had uit een meubelshowroom. Ze zette haar hoed af, die versierd was met vergulde wortels, bieten en andere groenten. Haar haar was gemillimeterd en vermiljoen rood geverfd.”

Een eeuw lang is gedacht dat Richard Mutt, de naam op het beroemde urinoir, een pseudoniem was van Marcel Duchamp.

Barones Elsa von Freytag in 1915. Foto Bettmann/Getty Images

Wie haar ontmoette, is haar nooit meer vergeten. Tussen 1913 en 1923 zwierf ze door de straten van de New Yorkse wijk Greenwich Village, waar iedereen haar kende als ‘de Barones’. Ze was in 1874 in Duitsland geboren als Else Hildegard Plötz, maar had aan een kortstondig huwelijk (haar derde) met een Duitse baron de naam Barones Elsa von Freytag-Loringhoven overgehouden. Als een levend kunstwerk paradeerde ze door de stad, vaak vergezeld door haar vijf honden. Soms droeg ze een achterlicht op haar jurk, want „auto’s en fietsen hebben achterlichten, waarom ik dan niet?” Maar ze liep ook graag rond in mannenkleding, „omdat er dan geen gewicht om me hing dat me naar beneden trok”.

Elsa von Freytag-Loringhoven was een dichter, kunstenaar en performer, die als feminist en voorvechtster van seksuele vrijheid haar tijd ver vooruit was. Als excentriek personage zwiert ze door de memoires van talloze beroemde auteurs en kunstenaars. Dichter Ezra Pound, schrijver Ernest Hemingway, verzamelaar Peggy Guggenheim, fotograaf Bernice Abbott – ze bewonderden haar allemaal. En toch is de barones bij het grote publiek nagenoeg onbekend gebleven.

De afgelopen tijd dook haar naam opeens op in publicaties over Marcel Duchamps urinoir Fountain (1917). Ook in Nederland laaide de discussie over het auteurschap van de wereldberoemde readymade deze maand weer op, na een publicatie in kunstmagazine See All This. Niet Duchamp, maar Elsa von Freytag zou schuilgaan achter het pseudoniem Richard Mutt, de naam waarmee de pisbak gesigneerd was. Volgens diverse internationale kunstkenners is de barones de ware bedenker van het urinoir. Maar wie was deze illustere dame eigenlijk?

Bizarre plotwendingen

Haar levensverhaal, zoals beschreven in de sappige biografie van Irene Gammel uit 2003, kent zoveel bizarre plotwendingen dat Hollywood het niet verzonnen zou kunnen hebben. Als tiener ontvlucht Elsa „via de waslijn” haar ouderlijk huis in Swinemünde om aan haar tirannieke vader te ontsnappen. Ze vindt onderdak bij een tante in Berlijn, neemt acteerlessen en verdient haar geld als naaktmodel en danseres in vaudevilletheaters. Een eindeloze trits aan mannen trekt in die Berlijnse jaren voorbij, vrijwel allemaal kunstenaars en vaak homoseksuelen die op Elsa’s androgyne uiterlijk vallen. Als een Bouquetreeks-aflevering – „ik had iedere nacht een andere man” – die zich afspeelt in avant-gardekringen, zo lezen die eerste hoofdstukken uit Elsa’s leven.

Haar eerste huwelijk met architect August Endell is vooral platonisch, maar dan wordt ze in 1902 verliefd op schrijver Felix Paul Greve, met wie ze vijf jaar later trouwt. Samen publiceren ze de roman Fanny Essler, over de seksuele avonturen van Elsa. Greve, die al eens in de gevangenis zat wegens fraude, krijgt steeds meer problemen met zijn schuldeisers. In 1909 besluit hij, met medeweten van Elsa, om zijn eigen dood in scène te zetten en naar Amerika te vluchten. Elsa blijft als rouwende weduwe achter in Berlijn, en volgt hem een jaar later. Maar eenmaal herenigd met Greve in Pittsburgh, houdt het huwelijk geen stand. Hij laat haar achter, zij begint in 1913 een nieuw leven als kunstenaar in New York.

Elsa von Freytag-Loringhoven, Earring - Object, ca. 1917-1919. Collectie Mark Kelman, New York. Foto uit ‘Baroness Elsa’

Een van haar eerste daden in New York is een huwelijk dat eigenlijk een soort performance is. Hoewel nooit officieel gescheiden, hertrouwt Elsa in 1913 met Leopold von Freytag-Loringhoven. Op het huwelijkscertificaat laat de dan 39-jarige Elsa noteren dat ze 28 is, single en nooit eerder getrouwd. Maar ook op dit huwelijk rust geen zegen. Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, meldt haar kersverse echtgenoot zich als vrijwilliger bij het Duitse leger. Vier jaar zit hij als krijgsgevangene vast in Frankrijk en zodra hij vrijkomt, pleegt hij zelfmoord. De barones leeft intussen in armoede, slaapt soms op straat en wast zich in openbare vijvers. Ze verdient haar geld als model, maar steelt ook wel eens wat en perst oude minnaars af om te kunnen overleven.

Nachtelijke conversaties

New York is tijdens de oorlogsjaren een ontmoetingsplek geworden voor gevluchte Europese kunstenaars. Marcel Duchamp arriveert er in 1915, gevolgd door Francis Picabia. In de salon van verzamelaars Walter en Louise Arensberg ontmoeten ze gelijkgestemden als Man Ray, Joseph Stella, Alfred Stieglitz en Beatrice Wood. De barones en Duchamp hebben een atelier in hetzelfde gebouw en voeren lange, nachtelijke conversaties over kunst. Maar van haar avances moet Duchamp, die dertien jaar jonger is, niets weten. „Marcel houdt van mijn serieusheid – mijn eerlijkheid – mijn problemen – sinds ik geleerd heb dat ik hem niet moet aanraken”, schrijft Elsa in een brief aan een vriendin.

Elsa von Freytag Loringhoven, Limbswish, ca. 1920. Foto uit ‘Baroness Elsa’

De twee kunstenaars zullen elkaar ongetwijfeld geïnspireerd hebben. Duchamp, die zelf in Parijs al een fietswiel op een krukje had gezet, zal geïntrigeerd zijn geweest door de vele gevonden voorwerpen – blikken, buizen, speelgoed, ijzerwaar – die Elsa in haar studio had verzameld. En misschien is zij het wel die hem, met haar extravagante outfits, inspireert om zich als vrouw te gaan verkleden en zich te profileren als zijn alter ego Rrose Sélavy.

Samen met Duchamp en Man Ray maakt ze in 1921 het filmpje Elsa, Baroness von Freytag-Loringhoven, Shaving Her Pubic Hair. Het is de eerste keer dat de drie kunstenaars werken met bewegend beeld. Duchamp staat achter de camera, Man Ray is verantwoordelijk voor het scheren van het schaamhaar van de barones. Helaas gaat er bij het ontwikkelen van de film iets fout, waardoor nu alleen nog een tweetal foto’s is overgeleverd.

Er lopen vele bohémiens en dadaïsten rond in het New York van de jaren tien en twintig, maar Elsa is de radicaalste van hen allemaal. Volgens sommigen is ze gestoord, anderen noemen haar geniaal. In haar gedichten heeft ze het over voorbehoedmiddelen als condooms (‘dandy celluloid tubes – all sizes’) en seksspeeltjes (‘the vibrator / coy flappertoy! / spinsterlollypop’) terwijl het Victoriaanse tijdperk nog maar net voorbij is. Ze maakt een gipsen afgietsel van een penis en loopt er publiekelijk mee rond. Ze maakt geen onderscheid tussen kunst en leven. Ze is een flanerend kunstwerk, met haar geel gepoederde gezicht, haar valse wimpers van papegaaienveren en de postzegels op haar wangen. Ze ís Dada.

’Elsa von Freytag Loringhoven, Cathedral, ca. 1918. Collectie Mark Kelman, New York. Foto uit ‘Baroness Elsa

Een halve eeuw eerder dan Andy Warhol maakt zij al kunst van tomatenblikken. Met ijzerdraadjes bouwt ze vederlichte, kinetische sculptuurtjes – minstens zo speels als de draadfiguurtjes die Alexander Calder tien jaar later zou maken. Ze prikt in 1918 een verweerd stukje hout op een ijzeren pin, plaatst het op een houten sokkeltje en noemt het Cathedral – een prachtige ode aan de gloednieuwe wolkenkrabbers van New York. Van een cocktailglas en een verzameling pauwenveren bouwt ze in 1920 een sarcastisch ‘Portret van Marcel Duchamp’ – de ijdele kunstenaar als vaandeldrager van de New Yorkse dada. Terwijl zij, de barones, natuurlijk de ware dada-koningin was.

Haar gedichten, vaak behoorlijk pornografisch van aard, verschijnen in 1918 met regelmaat in het avant-gardistische blad The Little Review, naast kersverse hoofdstukken uit James Joyce’ Ulysses. Maar veel van haar beeldende werken zijn vergankelijk, slecht gedocumenteerd en inmiddels vergeten. Van haar werk heeft ze nooit kunnen leven. Ze had geen verzamelaars die haar steunden. Vriendschappen met weldoeners eindigden vaak in ruzies. Elsa was een onmogelijke, egocentrische vrouw, ook voor haar vrienden.

Als ze, na tien jaar in New York en moe van alle armoede, besluit om terug te gaan naar Duitsland, raakt ze alleen nog maar dieper in de problemen. Haar overleden vader blijkt haar te hebben onterfd. Om te overleven, verkoopt ze kranten op de Kurfürstendamm. Ze is depressief en denkt erover zichzelf te laten opnemen. Uiteindelijk overlijdt ze op 15 december 1927 in Parijs, waar ze in haar appartement, al dan niet bewust, in slaap valt met de gaskraan open. Naast haar ligt haar hondje Pinky. Een afscheidsbrief is nooit gevonden. Vriendinnen denken dat ze is vermoord door een van haar ex-minnaars. Want haar hondje doden, dat zou de barones nooit hebben gekund.

‘Pispot was een dadaïstische grap’

Elsa von Freytag Loringhoven, Forgotten Like This Parapluie Am I By You - Faithless Bernice!, ca. 1923-1924. Foto uit ‘Baroness Elsa’

Het beroemde urinoir van Marcel Duchamp zou wel eens bedacht kunnen zijn door een vrouw, zo stelde het artikel ‘De leugen van Duchamp’ twee weken geleden. Barones Elsa von Freytag-Loringhoven zou de ware maker zijn. Reacties uit de kunstwereld.

Kitty Zijlmans

Hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, auteur van het vorige week verschenen boek over Kunstgeschiedenis in de serie Elementaire Deeltjes van Amsterdam University Press.

„Of Duchamp de boel al dan niet heeft geflest, vind ik nauwelijks interessant. Veel belangrijker is dat de status van het mannelijk genie ter discussie wordt gesteld. We moeten ophouden te denken in termen van genieën. Een kunstenaar begeeft zich in een weefsel gesponnen met andere kunstenaars. En vaak stonden er sterke vrouwelijke kunstenaars naast die beroemde mannen. Denk aan Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp of Wassily Kandinsky en Gabriele Münter. Die vrouwen waren net zo goed, maar het zijn de mannen die op een voetstuk werden gehesen. Het wordt tijd dat we de verhalen van mannelijke kunstenaars ontzenuwen en die van vrouwelijke kunstenaars reconstrueren. De kunstgeschiedenis moet opnieuw geschreven worden.

„Duchamp van zijn voetstuk halen is een hele tour de force vanwege de enorme mythevorming, de collecties en de kunstmarkt. Ook als blijkt dat Elsa von Freytag het urinoir heeft bedacht, zal de mythe rondom Duchamp gewoon blijven bestaan. Ik vind het een hilarische, typische Duchamp-actie, om het auteurschap van een niet-bestaand werk toe te eigenen dat ook niet door hem is verzonnen. Dat urinoir was een multiple, dus niet eens een unicum. Fountain is zodoende een metafoor van het typisch mannelijk gerichte perspectief van de traditionele kunstgeschiedenis.”

Frank Mandersloot

Beeldend kunstenaar, maakte dit jaar een tentoonstelling in Nieuw Dakota in Amsterdam waarin een werk te zien was over de auteurskwestie. Hij vindt de discussie „amusant” maar behoort niet tot een kamp. „Daarom heb ik Elsa en Marcel in mijn werk verzoend.

„Het is goed dat vrouwen de geschiedenis herschrijven, omdat veel vrouwelijke kunstenaars ten onrechte zijn ‘vergeten’. Er is een leger aan Duchampians, en er zijn feministen. Allebei hebben ze hun eigen agenda. Maar er is een ander element: macht en belangen. Kunstenaar Betham Huws deed uitvoerig onderzoek naar Duchamp en publiceerde in 2014 het boek Research Notes. Het beeldrecht voor het boek regelde ze met de erven Duchamp. Dan weet je al dat zij in dat boek geen vraag over het auteurschap rond Fountain oproept. Anders zou ze nooit toestemming hebben gekregen.

„Een kunstwerk is meer dan alleen een object. Het gaat hier ook om de handelingen die zijn gedaan. In dit geval: het kiezen (van het object), benoemen (als kunstwerk), claimen (onder pseudoniem), insturen (als provocatie), opstappen (als jurylid), veiligstellen (van het object), fotograferen (documentatie), schrijven (publicatie), vergeten en verliezen (van het object), reconstrueren (van de historische gebeurtenis), claimen (onder kunstenaarsnaam), contextualiseren, (in oeuvre), kopiëren (van het verloren ‘origineel’), vermarkten (middels verkoop editie) enzovoort.

„Als ik me beperk tot de historische gebeurtenis rondom het object, voordat het verloren ging, dan zijn er drie of vier kunstenaars direct bij betrokken geweest: Elsa von Freytag?, Marcel Duchamp, Alfred Stieglitz en Louise Norton. Je kunt het dus ook zien als een practical joke van een groep vrienden, dat is helemaal dada. Noch Duchamp, noch Von Freytag claimde het werk. De tijd was nog lang niet rijp (ook niet voor Duchamp) om dit werk serieus te nemen. Dat Duchamp de gebeurtenis reconstrueerde, om het werk in zijn oeuvre op te nemen, is niet vreemd. Hij heeft zijn hele oeuvre in retrospect, ver nadat hij het kunstenaarschap had opgegeven, gereconstrueerd.”

Ariel Alvarez

Kunsthistoricus, gespecialiseerd in het dadaïsme, auteur van het boek DADA manieren (2016) en het blog dadarockt.wordpress.com.

„Regelmatig worden pogingen ondernomen om te ‘bewijzen’ dat het werk niet aan Duchamp maar aan de excentrieke barones is toe te schrijven. Op zich is dat geen gekke gedachte, want als wandelend dada-kunstwerk, overmatig geïnteresseerd in seks en obscene dingen, had zij op het idee van het urinoir kunnen komen. Zij schreef gedichten waarin soms grappige poep- en piesverwijzingen waren vermeld. Zij maakte een enkele assemblage met oud loodgieterswerk. Maar de keuze voor een nieuw sanitairartikel uit een winkel zou weer niet bij haar passen. Duchamp gebruikte voor zijn readymades wel nieuwe voorwerpen. Ook het urinoir was nieuw.

„Op het label dat aan het urinoir bevestigd is, staan het adres en telefoonnummer van Louise Norton vermeld, een vriendin van Duchamp. Fotograaf Alfred Stieglitz vermeldde in een brief aan zijn minnares Georgia O’Keeffe dat de sculptuur door een jonge vrouw was ingezonden. Louise Norton was als eind-twintiger nog jong te noemen, Elsa als mid-veertiger al niet meer. Norton moet dus in het complot hebben gezeten, maar heeft directe betrokkenheid altijd ontkend, en was bovendien geen kunstenaar. En Elsa? Het feit dat zij het auteurschap van Fountain nooit zelf heeft geclaimd, terwijl ze niet heel bescheiden was en bovendien voortdurend in geldnood, zegt al genoeg.”

Bert Jansen

Schreef een proefschrift over Marcel Duchamp, Chacun son Marcel? Meerduidigheid in het werk van Marcel Duchamp, en maakte in 2013 een tentoonstelling over zijn werk in Museum Boijmans Van Beuningen. Hij denkt dat het urinoir wel degelijk een dadaïstische grap was van Duchamp, en dat meerdere kunstenaars bij het ‘complot’ betrokken waren: Joseph Stella, Louise Norton, Beatrice Wood en Jean-Pierre Roché.

„Het lijkt me sterk dat die al die jaren allemaal hun mond hebben gehouden. Zij brachten ook The Blind Man uit, het blaadje waarin het verhaal over de geweigerde Fountain uit de doeken wordt gedaan en waarvoor Alfred Stieglitz de foto maakte.

„Duchamp was geen performancekunstenaar avant la lettre zoals de Duitse barones. De objecten die zij gebruikte, lijken meer surreële objets trouvés. De readymades van Duchamp en ook Fountain hebben daarentegen een waaier van mogelijke betekenissen die samenhangen met de context waarin ze worden bedacht. Daarnaast is er een belangrijke talige dimensie. Het werk in kwestie heeft een titel en die is er niet zomaar: Fountain. Die stond in The Blind Man bij de foto van Stieglitz. Verder is het ding gekanteld, herinnerend aan inderdaad een fonteintje.”

    • Sandra Smallenburg