Recensie

Kom je met Marcel van Roosmalen in aanraking, dan sta je naakt

Marcel van Roosmalen In zijn stukken laat deze columnist gewone mensen en BN’ers zien in al hun opportunisme, zelfoverschatting en ijdeltuiterij. Literaire journalistiek, schrijft onze recensent. (●●●●)

Volgens dichter Johnny van Doorn was Arnhem een stad met twee gezichten. Aan de ene kant had je er de volkse types, de mensen die tegen de zelfkant en de criminaliteit aanschuurden, en aan de andere kant had je er de chique lui, de mensen die er met hun geflaneer voor zorgden dat de stad waar hij geboren en getogen was soms ‘bijna Zwitsers’ aanvoelde.

Zal Marcel van Roosmalen (1968), die ook in en rondom Arnhem opgroeide, deze gespleten blik met Van Doorn delen? Vermoedelijk niet, want de Arnhemmer in zijn verhalen is altijd plat en nooit eens elegant; in Van Roosmalens Arnhem is het Zwitserlevengevoel ver te zoeken. Als Diederik Samsom in campagnetijd een bezoek brengt aan een Arnhems zaaltje noteert hij: ‘Het publiek mocht ook vragen stellen. Typisch Arnhems was dat het eigenbelang daarbij vooropstond, de vragen hadden zonder uitzondering met de eigen situatie te maken.’ En als Van Roosmalens jeugdheld Theo Bos in een verhaal aan het woord komt, zegt die over zijn vader: ‘Hij was een echte Ernemmer, altijd negatief.’

Een verklaring voor deze stadsgebonden houding draagt Van Roosmalen aan in een stuk over de tot voor kort volkomen lege prijzenkast van zijn club Vitesse: ‘Het “net niet” zat ons in de genen. De stad Arnhem lag tijdens de Tweede Wereldoorlog ook net niet op de goede plek. Helemaal stuk gebombardeerd vanwege een brug, de bevolking hield er een zwart gevoel voor humor aan over.’

Gezellig zwart

Is het zwart-humoristisch, de blik waarmee Van Roosmalen als verslaggever ons land in trekt? Na lezing van Je moet opschrijven dat hier niets gebeurt, dat na Het is nooit leuk als je tegen een boom rijdt (2011) opnieuw een bundeling van zijn ‘beste reportages’ zegt te zijn, kun je dat niet meteen met een volmondig ‘ja’ beantwoorden. Inktzwart is het in elk geval niet, dat zou misschien ook wel een onverteerbaar resultaat opleveren. ‘Gezellig zwart’ is een betere kwalificatie, want Van Roosmalen mag zich dan behoorlijk sceptisch verhouden tegenover het Nederland dat hij verslaat, met walging zadelt hij je ook weer niet op.

Lees ook het dubbelinterview met Marcel van Roosmalen en Eva Hoeke: ‘Ik dacht dat Center Parcs het nieuwe leuk was’

Het is in feite ontmaskerend vermaak dat hij produceert, het soort vermaak dat voorbehouden is aan die enkele auteur-journalist die het zich kan permitteren om persoonlijk te zijn, niet altijd een duidelijk nieuwsdoel hoeft te dienen en soms ook gewoon kan opschrijven dat ‘de zelfhaat groot is’ als hij met tegenzin in Brasschaat ex-keeper en praalhans Jean-Marie Pfaff gaat interviewen. Bij een anoniemere kranten- of tijdschriftmedewerker zou zo’n introspectieve opmerking nooit door de eindredactie komen, bij Van Roosmalen wil je dat hij het zo doet. Want het effect is groot en het heeft geresulteerd in een promotie, onder meer voor deze krant, tot columnist – hét journalistieke auteursgenre bij uitstek.

Piet Paulusma of Jean-Marie Pfaff: ze worden zo droog als een rol beschuit aan ons gepresenteerd in al hun opportunisme, zelfoverschatting en ijdeltuiterij.

Onder Van Roosmalens ogen valt zo goed als alles dood neer. Dat is geen kritiek, zo luidt gewoon zijn ambachtsomschrijving. Campagnes van politieke partijen, de bewoners van de Amsterdamse buurt waar hij een tijd woonde (Betondorp), individuen als weerman Piet Paulusma of eerdergenoemde Pfaff: ze worden zo droog als een rol beschuit aan ons gepresenteerd in al hun opportunisme, zelfoverschatting en ijdeltuiterij.

Eigenlijk laat Van Roosmalen met zijn onverbloemde aanpak zien hoe geregisseerd het beeld is dat we doorgaans van mensen of evenementen krijgen. Van Roosmalen neemt die regie-aanwijzingen, die pogingen om zo flatteus mogelijk op de foto te komen, óók gewoon in zijn tekst op. Graag zelfs. Dat kun je al aan de titel van zijn boek zien: jij, mannetje met pen en blocnote, moet er dit en dit van maken.

Iedereen staat naakt

En zo staat zo goed als iedereen die met hem in aanraking komt naakt. Aad de Mos in zijn eindeloze pogingen om tweets geretweet te krijgen; Ewald Engelen die om onduidelijke redenen telkens ‘Boing!’ roept tijdens een bijeenkomst van de Partij voor de Dieren; de mannen en vrouwen die er in 2002 als de kippen bij waren om voor de LPF in de Tweede Kamer te komen. Voor iemand als Van Roosmalen, die loert op een quote als een visser op zijn dobber, moet de LPF-bubbel sowieso een prachtige tijd zijn geweest. Bij de ‘Pimmels’, zoals Fortuyn-volgelingen ook wel genoemd werden, stroomde het goud uit de mond. Zo was er Jim Janssen van Raaij, die zich afvroeg of zijn gezondheid het wel aankon, vier jaar de Kamer in. ‘Toen heb ik me laten keuren. Van A tot Z. Het was gruwelijk. Ik zal jullie de details besparen.’ Na enig aandringen komen er toch details. ‘Mijn grootste zorg was de lever. Logisch. Voor een zuiplap als ik! Maar het allerergste was de prostaatproef. Vinger in je reet – da’s nooit prettig.’

Lees ook de column van Marcel van Roosmalen: Een grotere lul als mij

Ergens waarschuwt persoon A persoon B voor Van Roosmalen, die ‘gek die alles opschrijft’. Die formule, de moed hebben om doodleuk op te schrijven wat er in jouw ogen echt gebeurt, krijg je met dit boek onder ogen. Met soms een beetje meer. Dan is het alsof hij de kloof dicht tussen verslaggeverij en moderne poëzie. Dan introduceert hij een deelneemster aan een demonstratie van de extreem-rechtse Nederlandse Volksunie zo: ‘Gaby had de haren geföhnd. Ze zei dat ze twee kinderen had en dat ze daarom geen racist was. Ze eiste opvang in de eigen regio.’ In drie zinnen meer zeggen dan waar menig collega een bladzijde voor nodig heeft, dat is het. Literaire journalistiek.

    • Sebastiaan Kort