Zelfs de koningin kwam naar zijn beelden kijken, maar nu is hij bijna vergeten

(Bijna) Vergeten kunstenaar Nic Jonks beeldentuin trok talrijke BN’ers, nog altijd staan overal zijn beelden. Nu houdt zijn zoon met moeite het museum open.

Nic Jonk opende zijn beeldentuin in Grootschermer al in 1965, in die tijd een unicum. Foto’s Museum Nic Jonk

Karel Appel, Hedy d’Ancona, koningin Beatrix, Freek de Jonge, Pierre Janssen: ze bezochten allemaal zijn beeldentuin, en prezen wat ze er zagen, maar toch kent u hem waarschijnlijk niet. Ook al hebt u vast wel eens werk van hem gezien. Want met zo’n 250 beelden in de openbare ruimte staat beeldhouwer Nic Jonk (1928-1994) in de top-10 van Nederland, misschien wel in de top-5. En die beelden zijn ook nog eens zeer herkenbaar: steevast groot en in brons gegoten, bijna altijd volle, ronde vrouwenfiguren, het oppervlak glad en glanzend.

Maar de afgelopen jaren verkocht de webshop nicjonk.nl vooral het boek Tuin van Geluk: korte gedichten, gemaakt door zijn weduwe Greet Jonk-Commandeur (91). En Beeldentuin Nic Jonk in Grootschermer (NH) mag dan indertijd de ene BN’er na de andere hebben getrokken, gisteren waren er 17 bezoekers: langsfietsende toeristen die afkwamen op het bord Koffie met Schermer Koek 7,50 euro incl. vrij entree.

Daar kan nog verandering in komen. Veel beelden zijn nog altijd te koop: van één model kunnen meerdere exemplaren worden gegoten. En de kunstwereld kent weliswaar meer gevallen helden, niet veel daarvan hebben een zoon die zijn leven wijdt aan hun nalatenschap.

Nic Jonk heeft die wél: Zeger Jonk, de vierde van zijn zes kinderen, directeur van Museum Nic Jonk. Dat museum opende een half jaar na de dood van zijn aan kanker overleden vader, de beeldentuin ligt ernaast. „Mijn vader is nog bij de eerste bouwbesprekingen geweest, een maand na zijn dood gingen de palen de grond in.”

Het museum inclusief de beeldentuin is vijf dagen per week open, maar ternauwernood. Zeger Jonk (59) doet tegenwoordig de meeste dingen zelf, met de hulp van drie of vier vrijwilligers: bezoekers ontvangen, de tuin onderhouden („Ik poets de beelden met bijenwas, daar gaan ze mooi van glimmen”), het museum schoonmaken. Annelies, zijn vrouw, heeft elders betaald werk gevonden. Vorig jaar verkochten ze noodgedwongen hun huis, dat ze naast het museum hadden laten bouwen toen de verkoop van beelden nog goed ging. „Het was het één of het ander: het museum moest dicht of we moesten ons huis verkopen.”

Appel, Corneille, Willink

Waarom wijdt iemand zijn leven aan de nalatenschap van zijn vader? En hoe kan het dat die zo snel succesvol werd, maar al even snel weer in de vergetelheid raakte?

Dat laatste valt te lezen in de biografie Nic Jonk, een leven vol beelden, die verscheen ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de beeldentuin in 2015. Zeger Jonk: „Mijn vader opende die tuin en begon direct met uitnodigen: Appel, Corneille, Willink. Er kwamen meteen ontzettend veel mensen op af. Het was nieuw, dat een beeldhouwer zijn beelden in de tuin zette.”

Nic Jonk met minister Elco Brinkman. Foto Museum Nic Jonk

Voor het laten maken van de biografie was eigenlijk geen geld. Maar: „Als we nog langer wachten is er straks bijna niemand meer die hem nog heeft gekend, dacht ik.” Zeger Jonk schreef mensen aan die ooit een beeld van zijn vader hadden gekocht, met de vraag of ze het project wilden sponsoren. Zoals voormalig ministers Onno Ruding en Elco Brinkman, die inderdaad doneerden. Ook Joop van den Ende, geen koper van een beeld, kreeg een brief en gaf geld.

Nic Jonk, blijkt uit zijn biografie, was een selfmade man: als oudste kind van een weduwe was hij al jong kostwinner. Later ging hij werken op de etalage-afdeling van V&D en kreeg hij, intussen getrouwd en met een kind, een plek op de Amsterdamse Rijksacademie. Toen hij vijf kinderen had, ging hij met het gezin terug naar zijn geboortegrond – precies toen progressieve stedelingen het platteland op begonnen te zoeken. In Grootschermer kwamen in die jaren BN’ers te wonen als Ton Lensink, Kees Brusse, Aad Kosto, Ard Schenk en Theo Koomen.

En Nic Jonk nodigde ze uit, allemaal. De eigen beeldentuin was zijn etalage, de bekende mensen die hij binnenhaalde potentiële kopers, of anders in elk geval goed voor reuring. Hij timmerde aan de weg, maar deed niet mee aan de modes van de tijd: performances, actieve kunst, heftige, met brokken ijzer afgezette sculpturen. Integendeel, zijn beelden waren weelderig en gepolijst, ze vonden aftrek bij de bourgeoisie: burgers en bedrijven die het konden betalen.

Acteur Kees Brusse (1925-2013), zijn buurman in Grootschermer, in Nic Jonk, een leven vol beelden: „Hij was zoals zijn beelden zijn: een grote, ronde, fijne man met een enorme drive. Een man die wist wat hij wilde, die wist dat hij zijn beelden aan de aarde moest verankeren. Maar hij heeft om dat ideaal te verwezenlijken ook veel zorgen om geld gehad. Hij moest zijn hele onderneming draaiende houden.”

Dat mijn vader zo commercieel was, heeft tegen hem gewerkt

Zeger Jonk

Die onderneming, dat was de beeldentuin en dat was zijn gezin: een vrouw en zes kinderen, die woonden in de vervallen boerderij die pas na zijn dood werd omgebouwd tot museum, in de beginjaren stonden de beelden letterlijk opgesteld tussen de koeien. Zeger Jonk: „Mijn moeder was af en toe de wanhoop nabij. Mijn vader liet al beelden in brons gieten voordat er een koper voor was. Dan stond daar weer twintigduizend gulden te wachten, terwijl mijn moeder in de keuken op stoelen zat waar ze bijna doorheen zakte. Hij reed ook altijd in een oude auto.” Nic Jonk zélf, in een brief die in de biografie wordt aangehaald: „Commercieel denken is voor kunstenaars, zo vinden velen, not done. Maar er moet geld in het laatje komen.” Zeger Jonk: „Mijn vader had altijd een beetje een strijd met de kunstwereld, hè. Dat kwam omdat hij een buitenbeentje was, hij deed zijn eigen ding. En dat hij zo commercieel was, heeft hij ook altijd achter zich aan gehad. Dat heeft tegen hem gewerkt.”

De beelden poetsen

Waarom werd juist hij, en niet een van de andere kinderen, directeur van het museum? Zeger Jonk: „Mijn broers en zussen zijn creatief, maar daardoor botsten ze ook vaak met mijn vader. Dat had ik niet, ik was meer geïnteresseerd in sport. Als er bezoekers waren voor de beeldentuin, ging ik meestal ergens voetballen. En ik vond het prima om klusjes voor hem te doen: de beelden poetsen, helpen met gips gieten, de tuin onderhouden.”

Koningin Beatrix in de beeldentuin van Nic Jonk. Foto Museum Nic Jonk

Van het één kwam het ander: hij werd de vaste onderhoudsman van zijn vader. „Al kon hij dat soms ook tijden lang niet betalen. Dan zat ik weer in een uitkering.” Toen Nic Jonk terminaal ziek werd („De dokter zei: je hebt nog twee maanden. Maar hij zei, kun je nagaan wat voor karakter hij had: dat kan niet, ik moet nog een boek uitbrengen en een museum bouwen”), had zijn zoon al jaren voor hem gewerkt. Ze hadden samen ook veel gereisd: Italië, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Spanje, de VS. Landen waar zijn werk werd tentoongesteld – en aan de man gebracht. Zegers vrouw Annelies ging regelmatig mee, zij was verantwoordelijk voor de pr.

Zeger Jonk: „Op zijn sterfbed heeft mijn vader me wel tien keer gevraagd om het museum te voltooien. De verbouwing stond voor de deur, het ging een miljoen gulden kosten. Mijn moeder en de andere kinderen zouden kunnen zeggen, als hij er niet meer was: doe het toch maar niet, het is zo’n grote investering. Ik heb hem met de hand op mijn hart beloofd dat het museum er zou komen.”

Het begon goed

In het begin ging alles nog voorspoedig. „Er brak een goeie tijd aan. Zijn werk was populair, de economie ging goed. We goten veel nieuwe beelden.” Dat was in de jaren negentig, na de eeuwwisseling werd het al minder. Toen kwam de economische crisis. „Het ging wel eerder minder goed natuurlijk, begin jaren tachtig bijvoorbeeld ook. Kunst is het eerste wat mensen laten liggen als de economie achteruit gaat. Maar dat het zo lang zo slecht zou gaan: dat had ik nooit verwacht.”

En de kosten zijn hoog. „We hebben een gigantische hypotheek. Er zijn de kosten van de energie: het museum moet worden verlicht en verwarmd. En ook de loods hiernaast moet verwarmd worden, die heb ik gebouwd om alle modellen in te bewaren waar nog beelden van gegoten kunnen worden.”

Heeft de neergang niet ook te maken met het feit dat zijn vaders roem steeds langer geleden is? „Ja natuurlijk, daarom wil ik zo graag dat zijn werk ook eens in een ander museum wordt getoond. Ik schrijf ze allemaal aan, of ze niet eens een tentoonstelling aan hem willen wijden. Of aan zijn schilderijen, in de laatste paar jaar van zijn leven heeft hij wel driehonderd doeken gemaakt. Maar ze reageren niet.”

Van boven naar beneden: Nic Jonk (rechts) met Karel Appel; koningin Beatrix in de beeldentuin; Nic Jonk met Kees van Bohemen en Carel Willink; Nic Jonk met minister Elco Brinkman.
Foto’s Museum Nic Jonk
Links: Nic Jonk (rechts) met Karel Appel. Rechts: Nic Jonk met Kees van Bohemen en Carel Willink.
Foto’s Museum Nic Jonk

En nu? „We hebben een stichting opgericht, ze zeggen dat je dan meer kans hebt op subsidie. Maar ook dat is tot nu toe niet gelukt. We hebben als particulier museum een bepaald stempel, denk ik. En die hele subsidiekraan is ook gigantisch dichtgedraaid natuurlijk.”

In de lastige jaren tachtig werden een keer twee beelden ontvreemd uit de tuin, hij herinnert het zich nog levendig. „Het is raar om te zeggen, maar misschien zou dat nog het beste zijn: als er weer eens een beeld werd gestolen. Het zag hier toen zwart van de mensen.”

Museum en Beeldentuin Nic Jonk, Haviksdijkje 5 in Grootschermer. Geopend van 24 maart tot 26 november, wo, do, vr: 11-17.00, za, zo: 13-17:00 uur. In juli en augustus ook open op dinsdag. Inl.: nicjonk.nl
    • Gretha Pama