Opinie

    • Ellen Deckwitz

Opgeven

‘Ik heb het opgegeven”, zegt mijn zus als ik haar zondagavond binnenlaat. Opgeven betekent bij haar dat ze verliefd was en het niet meer zag gebeuren. Terwijl ik haar op de bank plaats en begraaf onder dekentjes en kussens en cavia’s probeer ik me te herinneren wie dit keer de gelukkige was. Mijn zus is eigenlijk altijd wel verliefd, wat haar leven een aaneenschakeling van geluksmomenten maakt. Soms denk ik zelfs dat ze het niet eens voor de persoon doet, maar eerder voor de neurochemische effecten die hij/zij sorteert. Een paar keer per jaar geeft ze het weer op en staat ze vervolgens bij mij op de stoep. „Ik snap niet dat er nog geen pillen tegen bestaan”, zucht ze. Ik moet even denken aan de intrigerende roman Efter (2014) van Hanna Bervoets, die zich afspeelt in een nabije toekomst waarin verliefdheid gewoon als een psychische aandoening wordt beschouwd. En toegegeven, als je ziet hoe verliefden zich gedragen is er echt wel grond om te twijfelen aan hun toerekeningsvatbaarheid.

Terwijl mijn zus een beetje voor zich uit snikt, kan ik een gevoel van bewondering toch niet onderdrukken. Want zij dúrft het tenminste op te geven. Ik ken talloze mensen die maar blijven vasthouden aan iets wat nooit (meer) zal bloeien. Ze verwarren volharding met voorbestemdheid. Het kost lef om een verliefdheid af te sluiten, of ze nou wel of niet werd beantwoord. Te luisteren wanneer je verbeeldingsvermogen zegt dat zijn grenzen zijn bereikt. Dat je voor iemand die je eens een baarmoederverzakking van goesting bezorgde, opeens niets meer dan wat halfverplichte genegenheid op kan brengen.

Ik bevond mij in januari in een vergelijkbare situatie. De liefde was op, we stonden erbij en keken ernaar. En dan is het de vraag of je doorgaat, of stopt. Of de ruzies en onvrede nog worden gecompenseerd door kameraadschap, gewenning en onverschilligheid. Toen ik de relatie verbrak, kreeg ik van alle kanten lof toegezwaaid. Mijn vrienden (die allen al jaren een partner hebben) vonden het zo dapper van me. Uit hun enthousiasme sprak vooral een enorme angst voor vrijgezel zijn. En voor opnieuw verliefd worden, want dat is een van de naarste dingen die er zijn. De onrust, de angst, het gebrek aan slaap en concentratie. Een honger die je moet stillen met kruimels. Want het is nooit genoeg. „Ik benijd je soms”, zegt mijn zus vanuit het niets, „zo zelden dat jij verliefd bent. Wat een enorme vrijheid moet dat bieden.” Ik zucht. Vrijheid is overschat. Het is met betrekking tot de liefde niets meer dan een eufemisme voor leegte. Maar dat zeg ik haar niet: het enige wat zij niet kan opgeven, is het opgeven zelf.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz