Recensie

Langzaam ontspoort alles in iconisch ‘Lessons in love’

Opera De nieuwe opera van George Benjamin, Lessons in Love and Violence’, is een duister werk waarin onderhuidse menselijke verlangens meesterlijk in klank zijn gegoten.

Gyula Orendt (vreemdeling, achter), Stéphane Degout (Koning) Foto Hans van den Bogaard

Als je als tiener al de Mozart van je tijd wordt genoemd en je eerste avondvullende opera Written on Skin (2012) wordt unaniem omarmd als dé opera van de 21ste eeuw – dan schept dat, mild gesproken, hoge verwachtingen.

Maar George Benjamin (Londen, 1960), als componist een zeer autonoom schoonheidszoeker, is er de man niet naar zich door andermans verwachtingen van de wijs te laten brengen. Tenzij die ander zijn vaste librettist Martin Crimp is: de kruisbestuiving tussen diens duistere, cryptische zinnen en Benjamins claustrofobisch-hermetische noten is in deze derde samenwerking opnieuw van een Strauss-Hoffmansthal-achtige finesse. De fantasie van de één voedt de zeggingskracht van de ander. Anderhalf uur lang is er geen speld tussen te krijgen.

Lessons in Love and Violence, vorige maand in Londen te zien en nu hernomen bij de coproducerende Nationale Opera, is zonder meer een zeer geslaagd werk. Maar of het ook een opera is die, zoals het zeer vaak hernomen Written on Skin, een enorm publiek zal bekoren, moet blijken: de Amsterdamse première zat niet vol en er zijn nog volop kaarten.

Vergeleken met Written on Skin is de spanningsboog nog strakker, het beroep op het concentratievermogen nog groter. Het verhaal is losjes gebaseerd op de levenswandel van de middeleeuwse koning Edward II, maar door regisseur Katie Mitchell omgevormd tot een modern, psychologisch koningsdrama. De vierhoeksrelatie van de minnaars Gaveston en de koning (imposante Stéphane Degout), koningin Isabel en raadgever Mortimer ontvouwt zich hier in donkere paleisruimtes, zonder ramen. Zelfs het water in het aquarium oogt allengs troebeler, terwijl individuele verlangens botsen met collectieve, en langzaamaan alles fataal ontspoort.

Zelden zie je in een nieuwe opera zoveel direct iconische scènes. Sterkste voorbeeld is het moment waarop koningin Isabel – de zoveelste reliëfrijke, sterkevrouwrol van de hypercharismatische sopraan Barbara Hannigan – wordt geconfronteerd met „de armen van het land”. In sleetse jeans en met viezige plastic tasjes naderen ze de koninklijke slaapkamer. Isabel pareert die aanval even soeverein als cynisch door voor hun ogen een parel op te lossen in azijn: de interessantste dromen staan los van rijkdom, en zijn niet te koop.

Het is een donkere scène, zoals veel in deze opera bozedromerig, ongrijpbaar en ambivalent is. Zinnelijkheid wordt daarbij opgeroepen door Benjamins delicate samenklanken: omineuze knarsgeluidjes en dito blazers illustreren de zwakte van de koning, een stuwende Perzische trom laat zijn homo-erotische, tussen tederheid en wreedheid meanderende liefdesduet met Gaveston klinken als een geïmplodeerde variant van El amor brujo.

Eén scene is minder sterk, en juist daardoor verhelderend: die waar raadsman Mortimer de koningskinderen een les in wreedheid opdringt door een dwaas („kijk en leer!”) voor hun ogen te wurgen met een springtouw. Woord en handeling zijn er zeer expliciet, het steeds op het scherp van de snede spelende Radio Filharmonisch Orkest deelt onder Benjamins eigen leiding rake klappen uit. Maar die komen veel minder hard aan dan de enge samenklanken, welluidende dissonanten en ongewone kleuren (zigeunercimbaal in het basregister) waarmee Benjamin elders zo onovertroffen stem geeft aan de onverwoordbare onderstromen van het menselijk contact en verlangen.

    • Mischa Spel