Opinie

    • Paul Scheffer

Het wapen van Holland als brandmerk

De zinnen van Anton de Kom kruipen nog steeds onder de huid. Zijn klassieke boek Wij slaven van Suriname is geschreven met een ingehouden woede – dat kan geen lezer ontgaan. De beschrijving van eeuwenlange slavernij is des te schrijnender omdat zijn woorden getuigen van een ouderwetse hoffelijkheid.

In dit boek uit 1934 stelt De Kom een vraag aan de Hollanders: „Indien dan slavernij de grondslag van een cultuur is, welke tempels hebt gij dan in Suriname gebouwd, welke gedichten geschreven, welke verheven gedachten aan het nageslacht overgeleverd?” Hij laat erop volgen: „Is het niet waar, dat gij verlegen staan zou, indien gij ook slechts één standbeeld in Suriname moest oprichten voor Hollanders, die door daden van de geest beroemd zijn geworden?”

Het mag dan lang geleden zijn – de slavernij is op 1 juli 1863 afgeschaft –, de handel in mensen vormt wel een onuitwisbaar onderdeel van onze geschiedenis. Misschien is het onbegonnen werk om dat verre verleden werkelijk tot ons door te laten dringen, maar ook onbegonnen werk moet ooit worden aangevat. Wie over beschaving in onze contreien spreekt moet de eigen barbarij recht in het gezicht willen kijken.

Mocht daar nog twijfel over bestaan: lees het boek van Anton de Kom, en lees het dan opnieuw. De passages waarin hij de bestraffing van de slaven beschrijft, zijn gruwelijk. Een van de mildere voorbeelden: „Gedachtig aan de spreuk ‘Mijn hand is hard, doch lieflijk mijn gemoed’ sneed men deze gestraften eerst de tong af, om ze vervolgens te ontmannen en met het wapen van Holland te brandmerken op hun wangen. In deze toestand moesten zij dan verder de rest van hun levensdagen aan de ketting werken.”

De pogingen om de herinnering aan deze geschiedenis levend te houden verdienen alle steun. Ik hoefde in ieder geval niet lang na te denken toen me in 2002 werd gevraagd om – samen met onder meer Adriaan van Dis en Noraly Beyer – ‘ambassadeur’ te worden van het slavernijmonument in het Oosterpark van Amsterdam. Wie denkt dat de geschiedenis van betekenis is voor de inwoners van dit land ontkomt er niet aan de dieptepunten van dat verleden op te rakelen.

Ik heb sindsdien hevige discussies meegemaakt, en wilde claims gehoord over herstelbetalingen, die in de honderden miljarden zouden moeten lopen. In de Bijlmer kreeg ik tijdens een debat toegebeten: „We halen nu met onze uitkeringen het geld terug dat jullie van ons hebben gestolen.” Toen ik de man vroeg of hij zijn kinderen met die boodschap groot bracht, keek hij me vol onbegrip aan.

Lees ook: Kinderen van Anton de Kom boos vanwege „onwaardige en kwetsende” roman

Zulke aanvaringen horen bij het gesprek over deze geschiedenis. Het ongemak zal nooit helemaal weggaan. De Kom schrijft hoezeer het koloniale wereldbeeld in zijn poriën was gedrongen: „Geen beter middel om het minderwaardigheidsgevoel bij een ras aan te kweken, dan dit geschiedenisonderwijs waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden genoemd en geprezen. Het heeft lang geduurd voor ik mijzelf geheel van de obsessie bevrijd had, dat een neger altijd en onvoorwaardelijk de mindere zijn moest van iedere blanke.”

Het is goed dat serieus wordt nagedacht over een museum voor de slavernijgeschiedenis. Zo’n „nationale museale voorziening”, waar de gemeenteraad van de hoofdstad om heeft gevraagd, moet meer worden dan een tempel van schuld en schande. Ik hoop dat waarheidsvinding en zelfonderzoek voorop zullen staan. Er valt veel voor te zeggen om een breder verhaal over de koloniale geschiedenis te vertellen en de doorwerking daarvan in onze tijd niet uit de weg te gaan. Zo’n museum zou meer mensen kunnen aanspreken, zonder afbreuk te doen aan een indringende verbeelding van de slavernij.

Waarom slagen we er niet in om van de herdenking – opnieuw, aanstaande zondag 1 juli – meer te maken dan het geval was in de voorbije jaren? De onthulling van het slavernijmonument in 2002, toen het toegestroomde publiek met grote schermen op afstand werd gehouden, was al tamelijk ongelukkig. Daarna is het nooit gelukt om de herdenking meer zeggingskracht te geven – de beslotenheid van het Oosterpark helpt niet.

Die viering van de afschaffing van de slavernij moet beter kunnen, om te beginnen volgend jaar op een plek in Amsterdam of Den Haag die een grotere zichtbaarheid heeft. De Kom doet een beroep op het inlevingsvermogen van zijn lezers. Dat klinkt door in onze tijd: „Ook gij moet iets voelen van de wanhoop en het verdriet van de zwarten, weggesleept uit hun woonplaats, ver van hun verwanten, vol angst voor hun onbekende bestemming.”

Paul Scheffer is hoogleraar Europese Studies.
    • Paul Scheffer