Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Een meisje van acht, in een lege fabriek

Sophie van Duin, 82 jaar, belt me op: die kinderen in Amerika, gescheiden van hun ouders, opgesloten in tenten, dat heeft zij óók meegemaakt. De foto’s in de krant, de beelden op televisie, alles kwam weer boven. „September 1944”, zegt ze. „Ik woonde met mijn moeder in Nijmegen. Een groot huis, een man alleen, zij deed de huishouding. Bij de bevrijding kreeg het huis een voltreffer en toen zijn we gevlucht, door het spervuur heen. We kwamen terecht in een nonnenklooster aan de andere kant van de stad en na een paar dagen…” Hier stokt haar verhaal. Ze denkt diep na. „Zo wonderlijk”, zegt ze dan. „Wat ervoor gebeurde weet ik nog en wat daarna gebeurde ook. Maar het moment zelf, dat ik bij mijn moeder werd weggehaald, daar heb ik geen enkele herinnering aan.”

Ze is geboren in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, haar moeder was twintig, haar vader wilde haar niet erkennen. „Maar ik weet wie hij was: mijn moeder had bij hem en zijn vrouw op kamers gewoond.” Ze verhuisde in haar jeugd wel vijfenveertig keer, altijd bij mensen op kamers. Haar moeder was nog een poosje toiletjuffrouw in een hotel in de Kalverstraat.

De fabriek waar ze na de scheiding werd ondergebracht, daar beginnen de herinneringen weer. „Een dorp buiten Nijmegen. Een langwerpig gebouw, heel hoog, vol met kinderen. Er waren twee moeders die voor ons moesten zorgen, maar dat deden ze niet. Ze letten alleen op hun eigen kinderen. De andere moeders zaten in een fabriek verderop. Ik sliep met twee kinderen op een stromatras. Ze waren jonger dan ik en ze huilden veel. We kregen bijna geen eten. Op een nacht ben ik onder het prikkeldraad door gekropen en heb ik een suikerbiet gestolen.” En verder? „Verder niks. We zaten daar maar. Tot de Amerikanen kwamen. Ze spoten ons vol met DDT tegen de luizen. We waren helemaal wit.” Na een maand kwam haar moeder haar ophalen. Ze liepen terug naar Nijmegen, Sophie in haar zomerjurkje, op sandalen, en ze trokken weer bij nieuwe mensen in.

Dan begint ze over de nachtmerries die ze als kind had: een smal pad, hoge rotsen, ze komen op haar af. Maar daar had ze voor september 1944 ook al last van. Haar moeder verweet haar alle dagen dat ze haar leven had verpest. „Op mijn twintigste ben ik weggelopen. Ze liet me door de politie terughalen, maar daarna ben ik weer weggelopen.”

Ze ging naar de sociale academie, was maatschappelijk werkster en woonde veertig jaar samen met haar vriendin. „Ze is tien jaar geleden gestorven, dement. Ik heb voor haar gezorgd tot het niet meer kon.” Nu wandelt ze alle dagen met haar hondje door Park Clingendael. Een podengo, twaalf jaar. Ze heet Coffee, want ze is koffiebruin. Rennen doet ze niet meer zo hard na een herniaoperatie, anderhalf jaar geleden.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus.
    • Jannetje Koelewijn