Borsten

schrijft columns gebaseerd op haar ervaringen als huisarts in Nieuw-Zeeland.

Mijn ogen speuren de wachtkamer door. Pas tijdens de derde ronde herken ik L. Piekerig haar rond haar gezicht. Onder haar ogen dikke wallen. Haar blauwe trui zit vol wittige vlekken. Moeizaam staat ze op en sloft met de kinderwagen achter me aan. Ik had verwacht haar stralend te kunnen feliciteren met haar nu drie maanden oude baby, keek ernaar uit dat haar gebruikelijke stortvloed van geestige anekdotes mijn spreekkamer zou vullen.

Zodra ze zit, begint ze te snikken, haar handen letterlijk in het haar. Het consultatiebureau constateerde drie weken geleden dat haar zoontje nauwelijks aankwam. Dat was een grote teleurstelling, want ze was uitgeput van het elke twee uur borstvoeden. Ze werd verwezen naar de lactatiekundige. „Een wat vreemde vrouw”, snuft ze. „De muren van haar kamer zijn beschilderd met grote blauw beaderde borsten. Die van haar zwangere dochter, vertelde ze me trots. Had ze zelf geschilderd.” De lactatiekundige vertelde haar dat haar zoontje te veel voormelk binnenkreeg. „Die is waterig en vult niet genoeg. Ze raadde me aan bij elke voeding eerst de voormelk af te kolven en hem daarna aan te leggen, zodat hij de romige achtermelk kan drinken.” Zo duren de voedingen bijna een uur. „En dan heeft hij een uur later alweer honger.” L. kijkt somber naar het hummeltje in de wagen. „Ik voel me zo’n slechte moeder, ben de hele dag aan het janken. Het lijkt wel of ik langzaam gek word. Maar het ergste is”, ze veegt een snotterige lok haar uit haar gezicht, „gisteren bleek ook nog dat hij de afgelopen weken maar tien gram is aangekomen”.

Ik onderzoek haar zoontje en vertel haar dat slaapdeprivatie niet voor niks als martelmethode gebruikt wordt. „Als je hem nou een fles geeft voor je gaat slapen?”, stel ik voor. L. kijkt op, haar ogen ongelovig. „Mág dat?”, fluistert ze dankbaar. „Mag dat echt?”

Als ze de kamer uit is, schud ik mijn hoofd. Breast is best is hier het credo. Maar zijn we als maatschappij niet doorgeslagen? Ik gun een baby liever de fles van een gelukkige moeder, dan de lege tiet van een emotioneel wrak.

Een week later zie ik L. terug. Ze huppelt mijn kamer binnen en begint meteen te kakelen. Hoe ze in het park hebben gelopen en daarna koffie gedronken bij een vriendin. Stralend pakt ze haar zoontje op. „300 gram aangekomen!”, lacht ze. „En soms slaapt hij wel vier uur achter elkaar.”

Als ik vraag wat de lactatiekundige voor tips had over het combineren van borst- en flesvoeding, valt er een pijnlijke stilte. „Ehh … die ik heb ik gisteren wel gezien. Maar toen ik haar vertelde dat ik een fles gegeven had, werd haar blik ijskoud. Ze zei …” L. aarzelt even. In haar ooghoek welt toch nog een traan op. „… dat ze dan niets meer voor me kon doen.”

    • Anne Hermans