Wetenschappelijke supersterren

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over winnaars van de Nobelprijs en hoe om te gaan met die status.

En dan heb je opeens een Nobelprijswinnaar op bezoek. Scheikundige Ben Feringa is in Princeton voor een conferentie. Hij heeft stroopwafels meegenomen. We snijden een stukje kaas af. Ik kijk naar zijn schoenen. „En”, vraag ik, „loop je er al naast?”

Het klinkt wat aanmatigend, maar Princeton is een plek waar je nogal wat Nobelprijswinnaars tegenkomt. Er is zelfs een ‘begeesterd huis’ waar de drie opeenvolgende bewoners allemaal de Zweedse gouden medaille hebben verdiend. Je spreekt de laureaten hier als het ware dagelijks bij het koffieapparaat. Net als gewone mensen komen ze in alle soorten en maten voor. Maar voor vrijwel iedereen geldt dat de Nobel hun leven ingrijpend veranderd heeft. Zoveel verzoeken om te spreken, op de vreemdste plekken, om een mening te geven over alles en iedereen.

Een aantal van hen stopte zelfs met hun passie, het onderzoek, en werd fulltime Nobelprijswinnaar. Ze zeggen ja tegen elke uitnodiging, reizen de hele wereld rond en genieten van de megastatus die de prijs biedt – misschien wel de enige kwalificatie die boven elke twijfel verheven is. Deze wetenschappelijke supersterren worden overal met alle egards ontvangen, krijgen staande ovaties, en worden altijd geïnterviewd door de lokale media. Er worden asteroïden, bloemen en scholen naar hen genoemd. Ze krijgen altijd het beste hotel.

De privileges wennen gauw. Maar ik heb ook de schaduwzijde meegemaakt. Razende Nobelprijswinnaars die ontploften als het hotel geen vijf sterren had of hun kamer niet op tijd was schoongemaakt. Die journalisten uitkafferden als die hun werk niet helemaal goed begrepen. Die eisten dat ze nog meekonden op een vlucht terwijl die allang vertrokken was. Een aantal van hen praat nergens anders over. Ze zijn de prijs. Ze gaan het liefst elk jaar terug naar Stockholm, om het moment opnieuw te beleven. Om weer naast de koningin te mogen zitten.

Feringa herkent het. Inderdaad, de gekste verzoeken komen op hem af. Veelal, grinnikt hij, van meisjes tussen de acht en twaalf. Zo vroeg een meisje in groep acht op een basisschool in Drenthe of hij mentor wilde worden. Hij was aangekondigd als een „heel knappe man”. De lezing was interessant. Maar, zeiden de meisjes, dat knappe viel wel mee. Hij was geen Justin Bieber.

Feringa heeft helemaal geen tijd voor alle Nobelpoespas. Hij is namelijk niet van plan te stoppen met zijn vak. Hij vindt scheikunde veel te leuk. Enthousiast vertelt hij over zijn artikelen van dit jaar, niet de slechtste trouwens.

En die privileges? Hij laat me een foto zien van een parkeerplaats op een Amerikaanse universiteit. Er staat een dure auto. Daarboven een groot bord: „Gereserveerd voor Sir Fraser Stoddart, Nobelprijswinnaar scheikunde 2016” – die kreeg de prijs samen met Feringa en de Fransman Jean-Pierre Sauvage. Met daaronder een afbeelding van de gouden plak.

Dan laat hij me een foto zien van de fietsenstalling van de Universiteit van Groningen. Er staat een bord met een plaatje van een oer-Hollandse fiets. Eronder: „Gereserveerd voor de Nederlandse Nobelprijswinnaars.” Meervoud.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong