Opinie

Rotterdam was nooit matig

In zijn opiniestuk in de Rotterdambijlage van 16 juni gaat de heer Gerard Drosterij in op mijn interview met NRC in de bijlage van 9 juni j.l. Hij betoogt dat mijn pleidooi het „zoveelste bewijs [is] van een vaarwel aan de Nederlandse cultuur van gematigdheid, inhoudelijk denken en geduldig overleg”. Hij stelt zich hierbij een naar mijn idee niet alleen romantisch maar ook onjuist beeld voor van de Nederlandse (en Rotterdamse) cultuur van bouwen en plannen.

Dit stuk is een reactie op het opiniestuk Wie heeft de grootste van Gerard Drosterij

Rotterdam is onverschrokken

Rotterdam heeft zich in het verleden qua architectuur en stedenbouw nooit zoveel van gematigdheid aangetrokken, getuige de talloze voorbeelden van grote en ambitieuze projecten. Een kleine greep: de oorspronkelijke Fenix-loodsen waren destijds de grootste hal ter wereld, het Witte huis was bijna 20 jaar lang het hoogste kantoorgebouw in Europa, na de oorlog het volledige centrum herstructureren, het Groothandelsgebouw was lange tijd het grootste gebouw van Nederland en de Delftse Poort was bij oplevering het hoogste kantoorgebouw in Noordwest-Europa. Meer recentelijk zijn de Erasmusbrug, de Markthal en het nieuwe CS voorbeelden van ambitieuze projecten die er niet waren gekomen als er langdurig geduldig was overlegd en gematigd.

Overheidsplanning

Uit het stuk van de heer Drosterij spreekt een zeker nostalgisch verlangen naar de tijd dat de overheid de planologie van Nederland en haar steden nog stevig in handen had. Ik durf te betwijfelen of dat nou louter fantastische resultaten heeft opgeleverd. Denk bijvoorbeeld eens aan bijvoorbeeld de Alexanderpolder met haar idealistische socialistische flats (grotendeels ontworpen door ambtenaren en ‘ontwikkeld’ door gemeente diensten) maar ook aan de zogenaamde stadsvernieuwing in de jaren ’80 in Rotterdam. De laatste grote overheidsgestuurde ruimtelijke ordenings-operatie in Nederland was de VINEX operatie: suburbia’s waar op de meeste plekken de ambitie en kwaliteit nou niet echt direct van af straalt. Allemaal tot stand gekomen door zogenaamde gematigdheid en geduldig inhoudelijk overleg.

Over gematigdheid gesproken: tijdens de financiële crisis bleek dat heel veel gemeentes bijna failliet gingen door de enorme hoeveelheid grond- en ontwikkelposities die ze hebben ingenomen. Dit is een van de redenen geweest dat er een nieuwe wet ruimtelijke ordening (WRO) is aangenomen. Daarin staat dat het primaat van de ruimtelijk ordening ligt bij een samenwerking tussen markt en overheid, waarbij in beginsel de markt het initiatief neemt en de financiële risico’s draagt, en de overheid faciliteert en stuurt op kwaliteit.

Niet neoliberaal

Ik ben opgevoed door gedegen hollands-gereformeerde socialistische ouders. Mijn wereldbeeld is niet neo-liberaal. Wel is het een feit dat de Nederlandse politiek er zelf de afgelopen decennia voor heeft gekozen om de ruimtelijke ordening langs de lijnen van het markt-denken te structureren. Daarbinnen probeer ik als architect en als mens zo zorgvuldig mogelijk met de stad en de verdichting van de stad om te gaan. Daarbij moeten we naar mijn idee juist in Rotterdam de traditie van onverschrokken lef, ambitie en ‘niet lullen maar poetsen’ niet vergeten. Zoals socialistisch boegbeeld Jan Schaefer destijds al zei: „In gelul kun je tenslotte niet wonen”.

Nanne de Ru is architect