Na de aanval had hij 74 hechtingen nodig

Wie: Evert (44)

Kwestie: huiselijk geweld tegen stiefkinderen Waar: rechtbank Arnhem

De broers zijn nu vijftien en zeventien. Met hun moeder, omringd door medewerkers van Slachtofferhulp, arriveren ze bij de rechtszaak tegen hun voormalige stiefvader, Evert. Ze kiezen ervoor ver weg van hem te gaan zitten, achter in de zaal. Na een kwartier is de stoel van de jongste leeg.

Bijna tien jaar lang zou Evert beide stiefzoons en hun moeder op allerlei manieren hebben mishandeld. Door ze te slaan, te schoppen en te kleineren. Door de jongens te straffen met huisarrest. Alleen voor eten en school mochten ze uit hun kamer komen.

„Hoe lang duurde zo’n straf?”, vraagt de rechter.

Evert: „Dat kon wel een week worden.”

Hij sprak de oudste vanwege zijn lichaamsgewicht aan met Fatty. De jongste, toen elf, gaf hij een klap op zijn hoofd terwijl hij zat te eten. Zo hard dat het bord brak waar zijn hoofd op terechtkwam. Sindsdien noemde hij hem ‘eierhoofd’ vanwege de bult op zijn hoofd.

En zijn jonge herders Hakan en Griezel vielen de jongste broer aan toen zijn stiefvader boos op hem werd. De jongen deed druk en morste twee keer kort achter elkaar drinken. Evert: „Ik zei godverdomme, en toen hingen die honden er al in.” De kinderen en hun moeder zeggen dat hij niets deed om de aanval te stoppen. Bij de politie beaamde Evert dat. Er waren 74 hechtingen nodig.

Het leven zuur maken

Sommige dingen bekent Evert, andere niet. De klap waardoor de jongste met zijn hoofd een bord brak. Dat had hij niet moeten doen, vindt hij zelf ook. Die viel harder uit dan bedoeld. Maar dat hij de honden zou hebben opgehitst, dat is gewoon „een showverhaal”.

Wat hem stoort, vertelt hij de rechters, is dat er niets wordt gezegd over wat de jongens allemaal tegen hém hebben gedaan. Hoe ze hem uitscholden. Hoe ze samenspanden met hun moeder om hem het leven zuur te maken.

Het lijkt één van de rechters te irriteren. „U zegt: zij begonnen. Maar wie is hier nou de volwassene?”

Evert: „Dat ben ik. In dit verhaal.”

De moeder van de jongens becommentarieert tijdens de zitting met haar lichaam alles wat haar ex zegt. Ze schudt nee, heft haar armen in wanhoop, of kijkt totaal verbijsterd om zich heen alsof ze niet snapt hoe iemand zoveel onzin kan en mag uitkramen zonder dat iemand hem de mond snoert.

Als ze haar slachtofferverklaring mag voorlezen, schetst ze een inktzwart beeld van een samengesteld gezin waar niets normaal ging. Verjaardagen werden niet gevierd, kinderen werden als ‘kankerautist’ aangesproken, nooit met hun naam. Ze eindigt met: „We hopen dat hij hulp krijgt. Niet omdat we hem het beste gunnen, maar omdat we hopen dat hij stopt.”

Evert zegt: „Ze had tien jaar de tijd om bij me weg te gaan.”

Zijn advocaat, S. Ketelaar, pakt de moeder van de jongens aan. „Evert was veel weg voor werk, waarom zocht ze geen hulp?” Het „verbaast” hem ook dat de moeder haar kinderen soms een weekend of een hele week alleen liet bij haar vriend, om met een vriendin op vakantie te gaan bijvoorbeeld. „Maar ik geloof niet dat zij een slechte moeder is, die haar kinderen bij een man liet die ze structureel mishandelde. Afgezien van de incidenten die mijn cliënt heeft bekend, is er niets gebeurd.”

Volgens gedragswetenschappers heeft Evert een gemengde persoonlijkheidsstoornis en beperkte intellectuele vaardigheden. De officier van justitie vindt dat hij zich positioneert als slachtoffer. „Iedereen heeft het gedaan, behalve hijzelf.” Dat de jongens in belangrijke jaren in hun ontwikkeling zijn geschaad kan nooit meer ongedaan worden gemaakt. Ze eist 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk.

De rechtbank legt een lagere straf op, 30 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk. Vooral omdat niet duidelijk is geworden of de vrijheidsberoving van de jongens verder is gegaan dan „wat in het kader van de opvoeding maatschappelijk wordt aanvaard”.