Opinie

    • Sjoerd de Jong

NRC en het mijnenveld van identiteit: wie ben jij om te bepalen wie ik ben?

Is het nou sneu voor die ene ‘e’ dat hij zo tussen haakjes staat, gesegregeerd? Of juist gewichtig, omdat hij het verschil kan maken? Je tobt wat af, over andermans identiteit – of je eigen.

Boven een stuk van de schrijfster Simone van Saarloos in de bijlage Boeken stond zij vermeld als ‘Simon(e) van Saarloos’, met die ‘e’ die aan en uit kan.

Waarom, vroeg een lezer (m).

Op haar site legt Van Saarloos uit dat zij wil benadrukken dat het „een beetje belachelijk is dat er bij de geboorte niet alleen een vakje man of vrouw wordt aangekruist, maar er ook nog een naam bij moet worden verzonnen die het geslacht verraadt”. En er is een „meer poëtisch argument, namelijk dat alles wat bepalend en van grote betekenis is, misschien wel tussen haakjes plaatsvindt”.

Het laatste argument is mij wat duister, zoals wel meer poëzie. Het eerste is helemaal van deze tijd, in de verklaarde onwil om door anderen te worden ingedeeld, en al helemaal in binaire hokjes. Je identiteit is een ruwe diamant, die alleen jij mag slijpen. Dat is Descartes anno 2018: ik definieer mezelf, dus ik ben. Het is de paradoxale uitkomst van het idee dat de werkelijkheid bestaat uit sociale constructies.

Dit debat woedt alom. In Duitsland oordeelde de rechter dat burgers zich niet alleen als man of vrouw maar ook op een derde manier moeten kunnen laten registeren. In taalstrijd wordt gepleit voor genderneutrale sterretjes. Correspondent Juurd Eijsvoogel interviewde de genderdeskundigeProfessx Hornscheidt, „omdat Professor mannelijk en Professorin vrouwelijk is, terwijl Hornscheidt niet tot een van die geslachten gerekend wil worden”. Hij schreef behendig om persoonlijke voornaamwoorden heen, door de hooggeleerde verder bij de achternaam te noemen. In het wat meer staats- dan genderbewuste Frankrijk noteerde Peter Vermaas tegelijkertijd de „plechtige” waarschuwing van de Académie française dat de Franse taal „in levensgevaar is” door deze „inclusieve verdwazing”.

Hoe moet een krant daarmee omgaan? Journalistiek bestaat nu juist uit beknopte beschrijvingen en typeringen van anderen.

Die kokette haakjes van Simon(e) van Saarloos zijn dan nog simpel: als zij dit als auteursnaam gebruikt, zet de krant die boven haar stukken. Maatje groter: de muzikant Prince liet zich jarenlang ‘TAFKAP’ noemen. En, weer een maatje kleiner, André van Duin heet ook niet echt Van Duin.

Maar als het gaat om redactionele tekst zijn er nog altijd de verifieerbare feiten uit het paspoort of de basisadministratie. In stukken van anderen kan Simon(e) dus nog Simone heten en André van Duin Adrianus Kyvon.

De eigentijdse trend is intussen onmiskenbaar: wie wil er nog in een ‘hokje’ passen, als heel en uniek mens? De krant krijgt dus in toenemende mate te maken met belangengroepen, patiëntenverenigingen en activisten die elk voor hun eigen parochie aandringen op respectvol taalgebruik.

Het probleem daarbij is, kwetsuren liggen dicht onder het oppervlak als het uitgangspunt is dat alleen mensen zelf mogen uitmaken hoe ze aangeduid worden. Heel het journalistieke idioom wordt dan een mijnenveld.

Soms ten goede. Voorbeeld: het duo ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’, dat sinds 2002 vechtend over straat rolde, maar nu gelukkig uitgeburgerd aan het raken is. Meer omstreden voorbeeld: de activistische voorkeur voor ‘wit’ boven ‘blank’. Of die voor ‘tot slaaf gemaakte’ boven ‘slaaf’. Het laatste woord zou verhullen dat mensen met geweld tot slaaf werden gemáákt. En Aristoteles mag nog hebben geloofd in natuurlijke slavernij, wij, uit onze witte onschuld geschud, weten beter. Tja. Mij lijkt de kritiek op ‘slaaf’ juist getuigen van een essentialistische taalopvatting, alsof zulke naamwoorden de aanduiding zijn van een vaste identiteit of natuurlijke soort. Dat zijn ze niet, zomin als ‘activist’ of ‘ombudsman’ suggereert dat de onfortuinlijke zo is geboren of daarmee in zijn diepste wezen is geïdentificeerd.

Op de NRC-redactie wordt nu wel gesproken over de correcte aanduiding voor personen uit de LHBTI-gemeenschap (lesbisch, homo, biseksueel, transgender, interseksueel). Er is een taal-lemma in de maak voor het Stijlboek, in navolging van persbureaus als AP en mede op basis van een „media-wegwijzer” van Het Transgender Netwerk Nederland voor „correct en respectvol” taalgebruik.

Wat valt daaruit op te maken?

Heel basaal, al zou dat vanzelf moeten spreken, dat botte café-uitdrukkingen als ‘ombouwen’ uit den boze zijn. Ook dat ‘transgender persoon’ (of ‘transman’ en ‘transvrouw’) beter is dan het oudere ‘transseksueel’. Het laatste legt te veel de nadruk op seksualiteit en medicalisering.

Ook aanbevolen: in heden én verleden ‘hij’ of ‘zij’ gebruiken zoals iemand dat nu zelf hanteert. En, veelzeggend: gebruik seksuele ‘oriëntatie’ (eigenschap) en niet ‘voorkeur’ (een keuze).

Maar dan wordt het al lastiger.

Want moet de krant bijvoorbeeld meegaan in de wens van mensen die niet als ‘hij’ of ‘zij’ willen worden aangeduid, maar als ‘hen’, omdat ze zich noch volledig man noch volledig vrouw voelen? Dat druist in tegen heersend taalgebruik, en zou betekenen dat de krant accepteert dat vooralsnog ongebruikelijke aanduidingen niet alleen leidend zijn voor henzelf, maar ook een voorschrift worden aan anderen.

In Amerika gebruiken enkele kranten dit enkelvoudige meervoud (they) voor een persoon nu incidenteel, mits het in de tekst wordt uitgelegd. Bij The New York Times kan dat, als een persoon erop staat, maar nooit zonder uitleg, en als het even kan, wordt eromheen geschreven. Doel is immers, aldus die krant, om respectvol te zijn maar de lezer niet te verwarren of af te leiden. De krant wil niet „vooroplopen” bij taalkundige innovaties.

Dat lijkt me verstandig, al prikkelt het de fantasie. Stel (wie weet!) dat Donald Trump op hoge leeftijd in transitie gaat en zich they laat noemen, gaat The Times dan in die meervoudsvorm met hem terugblikken op zijn presidentschap? Historische continuïteit stelt ook zo zijn eisen.

Bij NRC wordt nu gaandeweg ervaring opgedaan. Verslaggever Rosan Hollak plaatste al eens, bij een interview over ‘genderfluïde’ mensen, in samenspraak met betrokkene dit cursieve bijschrift: Waar in dit artikel ‘hij’ staat, kan het ook worden vervangen door ‘zij’, en andersom.

Creatief. Ja, correct omgaan met genderterminologie is goed, maar vraagt om toelichting. Mensen vanzelfsprekend, zonder nadere uitleg, laten bepalen hoe ze in redactionele tekst aangeduid willen worden, lijkt me vooral verwarrend en esoterisch. Ik zou bijna zeggen, past dat wel bij de identiteit van de krant?

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong