Het gevoel van leegte kan enorm zijn, maar niemand bestaat om te lijden

Lijden Er is iets onaantrekkelijks aan ‘alles z’n gangetje’, schrijft Marjoleine de Vos. De aanname is dat lijden een mens iets leert.

Illustratie KazumaEekman

De waarheid

moet door lijden uit onze koppige levens

gesmolten worden.

Niets spreekt de waarheid,

niets zegt ons hoe de dingen werkelijk zijn,

niets dwingt ons te weten

wat we niet willen weten,

behalve pijn.

Zo verkondigen de goden hun liefde.

Waarheid komt met pijn.

Uit ‘Oresteia’ van Aischylos

De leegte die heerst in de westerse wereld. Misschien hoef je niet eens veel meer te zeggen dan dat en er wordt al geknikt, nou en of, leegte. De rijke westerlingen (wij!) hebben niets om voor te leven, alles draait om geld en gemak, ons grootste probleem is dat we te veel eten en degenen die ontevreden zijn, zijn dat omdat ze geen deel hebben aan de welvaartsmachinerie. En die leegte is ook, volgens menige deskundige, de aantrekkingskracht van radicale bewegingen als IS, volgens henzelf ook trouwens: „Jullie hebben Coca-Cola, wij hebben idealen”.

„Hat man sein warum? des Lebens, so verträgt man sich fast mit jedem wie? – Der Mensch strebt nicht nach Glück; nur der Engländer tut das,” schreef Friedrich Nietzsche. De mens streeft niet naar geluk. De mens streeft naar betekenis (behalve dan Engelsen blijkbaar). Als men weet waarom men leeft, verdraagt men bijna elk hoe.

Zou het echt zo zijn dat wij, rijk en welvarend als we zijn, niet weten waarvoor we leven, dat we niets anders weten te bedenken dan steeds meer geld en gemak? Vervelen we ons eigenlijk? Nu ja ‘we’ – het is een vraag die niet alleen voor de anderen, de maatschappij geldt, maar die ieder voor zichzelf moet beantwoorden.

Lees ook de column van Ben Tiggelaar: We willen zingeving, liefst een beetje snel

Er is iets onaantrekkelijks aan ‘alles z’n gangetje’, al zou menig vluchteling er veel voor geven om dat te hebben. Maar wie het lang heeft, of misschien nooit anders gekend heeft, kan makkelijk het gevoel krijgen dat dit het ‘echte’ leven niet is, dat er iets anders moet zijn, iets diepers, hevigers – iets pijnlijkers desnoods. Alsof kennis van wat het echt te bieden heeft, gelegen is in lijden en pijn. Dat pas wie daar doorheen is gegaan iets begrijpt van waar het echt om gaat. „Waar de pijn zit (-) daar zit je leven”, schrijft Rutger Kopland in een titelloos gedicht.

Waarheid komt met pijn

Eén van de ‘afgrijselijke mannen’ in Korte gesprekken met afgrijselijke mannen van de jong gestorven Amerikaanse schrijver David Foster Wallace (1962-2008) beweert zoiets. Hij zegt, tegen een vrouw, dat iemand die, bijvoorbeeld, op brute wijze verkracht is, daarna iets weet wat ze daarvoor niet wist. Hij suggereert dat zijn vrouw dat is overkomen.

Het gaat om een werkelijk gruwelijke verkrachting, en toch heeft het degene die dat geweld onderging iets opgeleverd: ze weet nu dat ze zoiets kan overleven. „Ze is er nog. En ik zeg niet dat ze er blij mee is, of kerngezond is of een gat in de lucht springt (-) maar ze is er nog, en dat weet ze, en nu weet ze iets. Ik bedoel echt wéten. Haar beeld van zichzelf en van wat ze kan doorstaan en overleven is nu groter geworden. (-) Zij begrijpt lijden op een radicaal andere manier. Ze is meer dan ze eerst was. Dat wil ik maar zeggen. Meer mens. Nu weet ze iets wat jij niet weet.”

De man dramt door en hij is onaangenaam, hij lijkt zelfs wel te suggereren dat het zijn gespreksgenote vooruit zou helpen als haar ook zoiets overkwam, misschien wel door hem. Je wilt absoluut niet dat iemand iets dergelijks zou moeten ondergaan, en toch denk je al lezend: hij heeft ook een punt. Het slachtoffer weet nu iets wat voor ons niet meer dan theorie is.

We zijn sterk geneigd dingen aan te nemen van mensen die gruwelijke ervaringen hebben

En hij gaat verder dan dat, hij zegt dat de vrouw door die ervaring een kennis heeft opgedaan die ze niet meer kwijt zou willen. Ook al wilde ze dat het haar nooit overkomen was en dat ze deze kennis nooit had hoeven opdoen. Eigenlijk zegt hij wat Aischylos zegt in zijn Oresteia: „Waarheid komt met pijn.”

De lezer denkt kribbig: ik geloof dat ook zo wel. Ik weet wel dat er mensen zijn die iemand anders als een ding kunnen behandelen en gruwelijk toetakelen – ik hoef niet zelf eerst dat ding te zijn.

Maar wat weet je als je het in theorie weet? Dat is de vraag. Hoe makkelijk zeg je niet over iemand ‘die heeft nog helemaal niets meegemaakt’. Die weet niet wat het leven is. Die is nog helemaal heel, helemaal hoopvol. Zonder enige levenservaring, die ook lijden insluit, wordt er niet geleefd.

Schade aan de ziel

De afgrijselijke man verwijst steeds naar Victor Frankl, een Joods-Oostenrijkse psychiater die de Duitse kampen overleefde en naar aanleiding van zijn ervaringen De zin van het bestaan schreef, een wereldwijde bestseller. Frankl schrijft dat het belangrijkste wat hij heeft geleerd in de kampen is dat men iets moet hebben om voor te leven en dat wie dat niet had, minder kans maakte om te overleven. Hij citeert daarbij, in licht gewijzigde vorm, de eerder aangehaalde uitspraak van Nietzsche. Frankl beweert zeker niet dat je maar in het leven hoeft te geloven om te overleven. Maar hij zegt wel dat het helpt, en niet alleen in een concentratiekamp. Iedereen, onder elke omstandigheid, moet en kan, soms met enige hulp, vaststellen wat voor hem of haar op dat moment een reden is om te leven, schrijft hij.

Als je zo praat, kan het lijken alsof grote idealen of een groot lijden noodzakelijk zijn om een leven betekenis te geven

We zijn sterk geneigd dingen aan te nemen van mensen die gruwelijke ervaringen hebben – het personage van Foster Wallace haalt ook niet voor niets Frankl erbij. We geloven makkelijk dat ze meer recht van spreken hebben als het over ‘het leven’ gaat dan onnozele coladrinkers – alsof ze geheiligd zijn door wat ze hebben meegemaakt. Het christendom kent ook veel waarde toe aan het lijden. De aanname is dan dat lijden een mens iets leert, dat het hem loutert.

Maar lijden maakt ook veel kapot. Simone Weil bijvoorbeeld, Joods-Franse filosofe en activiste, schreef begin jaren veertig dat „het ongeluk”, waarmee ze een diepere vorm van lijden bedoelde, de mens „verhardt”. Het drijft hem tot wanhoop omdat het schade doet aan de ziel, niets kan iemand „bevrijden van de sporen die het ongeluk in hem nalaat”. Weil legt, anders dan Frankl of die nare man van Foster Wallace, de nadruk op de schade die wordt aangericht in plaats van op wat geleerd kan worden. Maar ze zegt niet dat geld en gemak en Coca-Cola beter zijn. Dat valt trouwens van haar, die lange gesprekken met Trotski voerde, ook niet te verwachten.

Opgaan in iets, van iemand houden

Het leven brengt bepaalde vormen van ongeluk met zich mee, en tot een zekere grens voelen we ons daardoor, achteraf, soms pas jaren later, óók verdiept en verrijkt, als het ware ingewijd in wat het leven kan zijn. En tegelijkertijd verarmd, want verlies is wat het woord al zegt.

Victor Frankl lijkt ervan uit te gaan dat elk mens een ‘waarom’, een reden om te leven, heeft of zou kunnen hebben. Misschien was dat voor hem vanzelfsprekend, hij schreef zijn boek kort na de oorlog en herzag het grondig in de jaren vijftig. Hij waarschuwt dan al voor de grote verveling die eraan komt als de mensen minder zullen hoeven werken en meer geld en gemak zullen hebben. Daar waarschuwde menigeen destijds voor. En misschien proberen we die op te heffen door hevig met anderen mee te leven, het kleinste onrecht uit te vergroten, grote idealen na te streven.

Lees ook het opiniestuk van pastoraal medewerker Marleen Anthonissen-van der Louw: We hoeven niet bang te zijn voor ziekte en lijden

Als je zo praat, kan het lijken alsof grote idealen of een groot lijden noodzakelijk zijn om een leven betekenis te geven. En dat is niet zo. Frankl schrijft dat expliciet: „in no way is suffering necessary to find meaning.” Hij noemt lijden wel als een van de mogelijkheden om betekenis aan ons leven te geven en dan bedoelt hij vooral: de houding die we innemen ten opzichte van lijden dat onvermijdelijk is. Wie getroffen wordt door het ongeluk moet dat aangaan, alsof dat is wat het leven van hem vraagt, schrijft hij.

De voornaamste betekenisgevende elementen die Frankl noemt zijn andere: iets maken of doen en iets ervaren of iemand ontmoeten. Dat alles natuurlijk niet in de meest vluchtige, maar in de meest geëngageerde vorm: opgaan in iets, van iemand houden. Daar komen geen grote idealen aan te pas, maar wel de inzet om je te verbinden met wat buiten jezelf ligt. Hoe meer iemand zichzelf vergeet, hoe menselijker hij is, zegt Frankl.

Ooit wierp een boze verslaafde mij voor de voeten: „Jij hebt nog nooit tegenover iemand gezeten die aan een overdosis doodging, jij hebt niet op ellendige, smerige kamertjes gelegen omdat er niets anders was!”

Het is waar, dat ken ik niet. Maar dat is niet wat mijn leven leeg, of minder echt zou maken, al past ontzag voor de reikwijdte van andermans ervaringen. Wie iets verschrikkelijks meemaakt wéét iets wat hij of zij daarvoor nog niet wist. Het is een angstaanjagende kennis. Maar de betekenis van het leven heeft ook te maken met het vermogen dat wat je ziet, hoort of ondergaat te doorvoelen.

Eigenlijk is er maar één conclusie: dat wat het leven minder maakt, minder betekenisvol, minder de moeite waard, is vooral precies dat waarover we vaak zo zorgelijk spreken: leegte. Maar daar is niet zo’n makkelijk antwoord op. Het is niet de cola die het leven leeg maakt, áls het als leeg ervaren wordt, maar precies de afwezigheid van waar Frankl om vraagt: het vermogen om in iets of iemand helemaal op te gaan.

Dat lukt niet iedereen altijd. Misschien hebben we eenvoudigweg niet allemaal een ‘waarom’ om voor te leven. Leven we nu eenmaal gewoon maar, en lezen verhalen waarin ons door akelige mannen wordt wijsgemaakt dat dat lang niet genoeg is, dat we eens wat ergs zouden moeten meemaken, liefst iets wat bijna niet te verdragen is.

    • Marjoleine de Vos