Vervalsing van de steentijd

Archeologie

Ad Wouters (1917-2001) was een bekende amateur-archeoloog en groot kenner van de Steentijd. Hij liet tienduizenden vondsten na. Nu komt aan het licht dat er veel vervalsingen tussen zitten. Hoeveel, dat weet nog niemand.

Een kling, met een precies erop passende steelspits. Zulke op elkaar passende vondsten waren een specialiteit van Wouters. Dit werktuigen vertoont geen enkele verwering en is een vervalsing. Foto Frans de Vries

Opgegraven steentijd-werktuigen zijn vervalst. Archeologische vindplaatsen zijn verzonnen. En in zijn publicaties zoog amateurarcheoloog Ad Wouters (1917-2001) de namen van gulle gevers en mede-opgravers uit zijn duim.

Dit is een verhaal over een fraude waarover in archeologische kringen al langer verhalen de ronde deden, maar waarvan nu pas de omvang duidelijk begint te worden. En over hoe de archeologische wereld worstelt. Moeten de tienduizenden vondsten van Wouters die in musea en depots liggen allemaal worden onderzocht?

Ad Wouters.

Foto Archief Dagblad van het Noorden

Steentijdspecialisten Frans de Vries en Marcel Niekus –zelfstandige archeologen die in een onderzoekscollectief samenwerken – brachten de omvang van de fraude eerder dit jaar aan het licht. Zij plozen de publicaties van Wouters uit en onderzochten stenen werktuigen die hij gevonden zou hebben. Hun conclusie: veel van Wouters ‘vondsten’ zijn recente vervalsingen.

Het Museon in Den Haag kocht in 1994 voor 50.000 gulden twintig- tot dertigduizend vondsten van Wouters. Ze zijn te bewonderen in de online-collectie van het museum. Wat ermee te doen?

„De onderzoekers die bij het Museon langs zijn geweest hebben nog niet verteld om welke stukken het gaat, daarom is alles van Wouters nog te zien via onze online catalogus”, reageert Rob Schouten, hoofd collecties van Museon. „De conservator die alles van deze zaak weet is nu op vakantie. Vlak voor zijn vertrek heeft hij me nog wel laten weten dat er waarschijnlijk falsificaties in de collectie Wouters zitten.”

Archeologie-onderzoekers twijfelen of een groot onderzoek nodig is en nuttig is. Alles wat Wouters heeft geschreven en verzameld uit het kennisbestand gooien is geen oplossing, vindt bijvoorbeeld Wil Roebroeks, hoogleraar Archeologie van de Oude Steentijd in Leiden. Hij kende Wouters goed. Roebroeks: „Hij was niet gek, en heeft ook echte belangrijke ontdekkingen gedaan, zoals de werktuigen van vroege mensachtigen in de stuwwallen bij Rhenen.” Een uitgebreid en dus duur onderzoek vindt hij niet nodig, omdat Wouters’ vondsten in het huidige Steentijdonderzoek geen rol van betekenis meer spelen. „Geen van mijn studenten gaat naar het Museon om de collectie Wouters te bestuderen.”

Frans de Vries en Marcel Niekus pleiten toch voor uitgebreid onderzoek en een zwartboek – voor de toekomstige generaties. „Over vijftig jaar weet niemand meer van de hoed en de rand. Dan worden publicaties en vondsten van Wouters weer meegenomen in nieuw onderzoek. Recent dook nog een vervalste vondst van Wouters op in een internationale peer-reviewed publicatie. Het probleem is echt groter dan sommige van onze collega’s denken. Het is onze wetenschappelijke en morele plicht om alle rommel op te ruimen.”

Gepolijst oppervlak

Het is monnikenwerk. Iedere steen uit de collectie moet worden onderzocht. Het onderzoek richt zich op de vraag of het oppervlak gepolijst of ook verweerd is.

De Vries en Niekus deden dat door een beetje aceton op kunststof (acetaat) te druppelen. Dat lost een beetje op en wordt op het oppervlak van de vuurstenen spits gedrukt. Met een pincet trokken ze de afdruk van het steenoppervlak eraf, legden het op een objectglaasje en bekeken het onder een microscoop.

Eén blik was voldoende: dit was geen spits die 12.000 jaar geleden was gemaakt en gebruikt. Er was geen verwering te zien, alleen een gepolijst oppervlak. Zo ging het ene stenen werktuig na het andere door hun handen. Het was een steekproef, maar één conclusie drong zich op: een groot deel van de collectie Wouters in het Museon is vals.

Een sterk verweerd Neanderthaler-werktuig, onder andere te zien aan de sterke bruinverkleuring van het grijze vuursteen, gevonden in het Drentse Zeijen.

Foto Frans de Vries

„Dit is er ook een”, zegt Niekus in het Noordelijk Archeologisch Depot in het Groningse Nuis. Hij legt wat lijkt op een kling, een langwerpige vuursteenafslag, op tafel. „Afkomstig uit de collectie van het Fries Museum, in 1992 geschonken door Wouters en volgens de gegevens gevonden bij Sintjohannesga.” Hij zou zijn gemaakt door iemand van de Ahrensburgcultuur, rendierjagers die tussen pakweg 11.000 en 9.200 voor Christus over de steppen en toendra’s trokken. „Maar Wouters blijkt dezelfde kling al eens in 1982 beschreven te hebben, met de Ginkelse Heide bij Ede als vindplaats.” Niekus toont drie tekeningen. „Links is de kling uit Wouters’ publicatie van 1982, de tekening in het midden komt uit een andere publicatie van Wouters uit 1993, maar dan gaat het om de kling uit Sintjohannesga en rechts is een recente tekening van dezelfde kling. Hier en daar zijn wat kleine verschillen, maar die zijn niet relevant; dit is een en dezelfde kling en die kan niet op twee totaal verschillende plekken zijn gevonden.” Ook een steelspits staat zowel in een publicatie van Wouters over de Ginkelse Heide als in een over Sintjohannesga.

In Nederland zijn relatief weinig vindplaatsen van de Ahrensburgcultuur. „We hebben er 59 geteld”, zegt Niekus, verwijzend naar een eerste overzicht van deze cultuur in Nederland dat hij een paar jaar geleden met Jos Deeben (1955-2015) en Gijsbert Boekschoten heeft geschreven. Het artikel verschijnt binnenkort in een bundel van de Union Internationale des Sciences Préhistoriques et Protohistoriques. „Bij 28 vindplaatsen is Wouters op de een of andere manier betrokken geweest, en na bestudering van vondsten, tekeningen en vindplaatsgegevens komen we tot de conclusie dat elf vindplaatsen zijn vervalst of dat er mee is geknoeid.”

Broeders van Liefde

Wouters stortte zich kort na de Tweede Wereldoorlog op de archeologie en de Steentijd. Hij heette toen nog broeder Aquilas en hoorde bij de Broeders van Liefde. In de jaren vijftig en zestig was archeologie in Nederland nog het werk van een handjevol professionele archeologen. Die hielden zich nauwelijks met de Oude Steentijd bezig. Dat was het terrein van amateurs als Wouters. Met zijn vak- en materiaalkennis was weinig mis. Hij kende de vakliteratuur uit het buitenland, waar wel academische archeologen zich met de steentijd bezighielden. Hij kende zijn geologie en wist waar onder het oppervlak oude landschappen verborgen lagen. Ook had hij in de praktijk geleerd hoe vroeger stenen werktuigen werden gemaakt. Tot slot had hij blijkbaar een goede neus voor waar hij moest zoeken, want als geen ander vond hij op zijn speurtochten bijzondere werktuigen aan het oppervlak. Hij werd dan ook al snel correspondent van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Ook na zijn uittreden en huwelijk, in 1961, bleef hij een door amateurs én beroepsarcheologen gewaardeerde steentijdexpert.

Zo speelde hij een rol in de Zaak-Vermaning, tot nu toe de prominentste vervalsingszaak in de Nederlandse archeologie. In het kort: in 1965 meldde amateurarcheoloog en scharensliep Tjerk Vermaning dat hij bij Hoogersmilde een kamp van neanderthalers had gevonden, archeologen van de Rijksuniversiteit Groningen groeven de vindplaats op. Dat was groot nieuws, want de prehistorie van Nederland was in een keer met zeker 40.000 jaar verlengd en Vermaning werd een bekende Nederlander. Maar in 1975 meldden de archeologen van de Groningse universiteit dat ze hadden ontdekt dat de stenen vals waren. Er kwam een rechtszaak, die na hoger beroep eindigde met de vrijspraak van Vermaning wegens gebrek aan bewijs. Over de echtheid van de werktuigen deed de rechter geen uitspraak. Wouters was tijdens het proces opgetreden als getuige en was ervan overtuigd dat de stenen van Vermaning echt waren.

In 1996 moest Wouters toegeven dat hij zelf een vindplaats van de Ahrensburgcultuur had vervalst, of beter gezegd een niet bestaande vindplaats had gecreëerd. Archeoloog Jos Deeben had het ontdekt en hem ermee geconfronteerd. In een brief bekende Wouters snel daarna dat hij wat bekend stond als de Noord-Brabantse vindplaats Vessem XII in zijn studeerkamer in elkaar had gezet, door werktuigen die elders waren gevonden aan deze vindplaats toe te schrijven. Naar zijn zeggen met de bedoeling om zichzelf te laten ontmaskeren, veel publiciteit te genereren en zo nog eens zijn hart te luchten over het onrecht dat Vermaning was aangedaan. Een ingewikkelde redenering, die ook nog eens geen succes had, want er was geen krant of televisierubriek die over zijn vervalsing berichtte.

Héél toevallig

Onder archeologen en amateurs gingen intussen meer verhalen over gesjoemel door Wouters. Het was bijvoorbeeld wel héél toevallig dat hij altijd degene was die bijzondere refits vond, twee stukken vuursteen die aan elkaar pasten. Terwijl de meeste amateurs op een vindplaats vooral afslagen en een enkel werktuig vonden, was dat bij hem altijd andersom: Wouters vond altijd buitengewoon veel werktuigen.

Niekus ontdekte ongeveer vijftien jaar geleden dat Wouters de kling van Sintjohannesga aan twee verschillende vindplaatsen had toegeschreven. Toch deed hij er op dat moment niets mee. „Ik was bezig met mijn proefschrift en dat ging over het mesolithicum en niet de Ahrensburgcultuur. Verder hou ik me liever bezig met wetenschappelijk-inhoudelijke kennisvermeerdering van de Steentijdculturen.”

Dick Stapert van de Rijksuniversiteit Groningen, een van de betrokkenen bij de Zaak-Vermaning, had jaren eerder wel iets geprobeerd te doen. Hij adviseerde wat nu de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is alle vondstmeldingen en publicaties van Wouters uit het kennisbestand te verwijderen, tenzij onafhankelijke en controleerbare bronnen hun waarheidsgehalte aantoonden. Daar is niets mee gedaan. Niekus: „Misschien omdat de Rijksdienst de verhouding tussen archeologen en amateurs niet onder druk wilde zetten.”

De laatste jaren zijn er wel archeologen die hardop tijdens officiële Steentijddagen en zwart-op-wit in wetenschappelijke artikelen zeggen dat Wouters met vindplaatsen rommelde, maar meestal blijft dat beperkt tot het noemen van een enkele vindplaats.

Tekening van een kling door Ad Wouters. Wouters zegt het werktuig te hebben gevonden in de (overigens verzonnen) vindplaats Sintjohannesga, maar in andere publicaties zou het een vondst van de Ginkelse Heide bij Ede zijn.

Tot nu toe was er alleen twijfel over Wouters’ vindplaatsen met losse oppervlaktevondsten. Maar Niekus en De Vries hebben ook aanwijzingen dat officiële opgravingen zijn vervalst. Daarbij duikt de naam van Wouters weer op.

Niekus en De Vries richten zich als eersten op het grote geheel. Ze zeggen dat het gaat om geraffineerd bedrog: Wouters vermeldde de betrokkenheid van mensen die niet bestaan, die niet gevonden kunnen worden, of op het moment van publicatie al overleden waren. Bij de vervalsingen gaat het zowel om echte artefacten die elders zijn gevonden, als om bijgewerkte echte artefacten, en om verse vuurstenen die recent bewerkt zijn. „Het is allemaal veel groter dan we dachten.”

Het begon met een afslagkrabber

In een artikel voor een feestbundel die in april is verschenen (met Dick Stapert en Lykke Johansen als co-auteurs), beschrijft Niekus niet alleen het geval van de artefacten van Sint Johannesga, maar ook van een werktuig van de vindplaats Havelterberg dat ook van de Ginkelse Heide afkomstig blijkt te zijn.

Voor dat artikel klopte Niekus aan bij De Vries, om artefacten van Sintjohannesga onder de microscoop te bekijken. De Vries zag op een afslagkrabber de met potlood geschreven code ‘E V’. „Na enig speurwerk ontdekten we dat het ‘Ede V’ betekent. Wouters gebruikte die code voor de Ginkelse Heide. Die code kwam ook voor in de catalogus van het Museon.” Zo kwam het onderzoek in de Wouters-collectie in het Museon op gang. De Vries: „Voor publicaties moeten we nog microscoopfoto’s maken en we willen van enkele artefacten slijpplaatjes laten maken.” Slijpplaatjes zijn dunne steenplakjes.

De Vries: „De Duitse archeologe Renate Bäsemann heeft in 1987 door metingen aangetoond dat ijzer in de bodem op stenen werktuigen inwerkt en een bruine rand achterlaat. Dat inzicht kun je gebruiken om vervalsingen te ontdekken. Aan de hand van een slijpplaatje kun je zien of er bij een afgeslagen rand van een werktuig een bruine band loopt. Als die ontbreekt, is er waarschijnlijk iets loos. Op de stenen van Vermaning, die we al hebben onderzocht, was die ijzerinwerking niet te zien, maar wel op artefacten waarover geen twijfel bestaat.”

Het Museon heeft gezegd mee te werken aan dat onderzoek. Schouten: „Het is altijd goed als specialisten van buiten in onze collecties onderzoek komen doen en nieuwe dingen ontdekken. Ik kan me voorstellen dat we in de loop van de tijd ook nog een tentoonstelling aan Wouters gaan wijden, maar het zal nog wel even duren voor het zo ver is.”

    • Theo Toebosch