Foto Frank Ruiter

Wereldreiziger Iris Hannema: ‘Ik heb de luxe dat ik me kan afvragen wie ik ben’

Lunchinterview Iris Hannema (33), wereldreiziger, schreef een derde boek en keert terug naar het paradijs. Ze wordt duikinstructeur op atol Fakarava. Nederland is te perfect, vindt ze. „De mensen zien er afgetobd uit. Zo wil ik niet leven.”

De lunch is op 52°23’0”N.4°38’34”O. Haarlem, aan het Spaarne, naast de molen, in restaurant Zuidam. Voor Iris Hannema (33), wereldreiziger van beroep, is Haarlem een tussenstop. Ze bezoekt haar ouders en haar zus, daarna vertrekt ze – voorlopig voorgoed – naar Fakarava. Een mini-atol in de Stille Oceaan, ten westen van Tahiti. Googel het maar eens: witte stranden, palmbomen, blauwe zee, 837 inwoners. Haar Franse geliefde, een duikinstructeur, is daar al. Hun twee honden worden nabezorgd.

Ze woonden daar al eerder, maar na twee jaar wilden ze er weg. „Het klinkt misschien gek dat je het paradijs verlaat,” zegt Iris Hannema. „Maar we verlangden naar kou, naar sneeuw, naar bergen, een heuveltje, iets van glooiing in het landschap.” Ze werden verdreven door de zon, de vochtige warmte, de muggen en een lokale bacterie die onder de huid kruipt en ontstekingen veroorzaakt. Iris Hannema wrijft over haar armen, haar dijbenen en flanken. „Flinke japen op mijn lichaam. Ik had al vier antibioticakuren achter de rug, toen kreeg ik een infectie bij mijn oog. Dat was de druppel.” Ze verhuisden naar het vakantiehuis van zijn familie, hoog in de Franse Alpen. Zij kon er aan haar boek werken, haar derde. Reizen volgens Hannema is net verschenen. Hij kon er… „Eigenlijk niets.”

Dus toen de duikschool op Fakarava duikinstructeurs zocht, hapten ze toe. Hij is er al om een huis te zoeken, zónder kakkerlakken, en aan de iets minder mooie maar muggenvrije, winderige kant van het eiland. Zij bleef nog vier maanden in Frankrijk wonen om haar laatste duikbrevet en kapiteinsdiploma te halen, dan kan zij straks duikers naar de lagunes en zeegangen varen, waar walvissen zwemmen en hamer- en citroenhaaien jagen. „Alleen geoefende diepzeeduikers kunnen daar komen.” En heel rijke? Ze knikt. „Je moet een ruime portemonnee hebben om überhaupt op het eiland te komen. Russen, Chinezen, Fransen. Verwend publiek.” Er landt één luchtvaartmaatschappij op het eiland, een enkele keer meert er een cruiseschip aan. „Wat er dán gebeurt…” De bevolking trekt een Polynesische rokje aan en begint te dansen. „Zodra de toeristen weg zijn, hangen ze weer passief met een biertje in hun tuinstoelen. Onwerkelijk.”

Ze is nu aan het pakken voor vertrek, met een weegschaal erbij. Twee koffers van elk 23 kilo. Duikspullen, Paradontax-tandpasta, goede zonnebrand, medicijnen, vitaminepillen, veel boeken, nauwelijks kleren, wel tien bikini’s. De zak drop heeft plaats moeten maken voor groentekiemen waarmee ze daar in de onvruchtbare koraalgrond een moestuintje wil beginnen. „Er groeit niks. Geen fruit, geen groenten. Alles moet per vrachtschip naar het eiland vervoerd, dat duurt twee weken, dus verse spullen zijn er niet. Je eet zelfgevangen vis, rijst en that’s it.”

Het summum van welvaart

Ook als ze in Nederland is, eet ze zo bescheiden mogelijk. „Ik train mezelf niet toe te geven aan trek.” Ze weet, na tien jaar reizen door landen waar Nescafé met gecondenseerde melk de enige luxe is, dat eten een obsessie kan worden. „Loop je in de woestijn van West-Afrika, kan je alleen maar denken aan broccoli en gebakken eieren. Zo’n ellende.” Ze aarzelt boven de menukaart, overweegt de kabeljauw, realiseert zich dan dat vis straks waarschijnlijk haar neus uitkomt en kiest pompoensoep. Een glas witte wijn erbij, nu het nog kan.

Ze ziet haar ‘thuisland’ nu heel anders dan toen ze het verliet, zegt ze. „Haarlem is mooi, het leven is hier geordend en goed.” Op haar negentiende wilde ze er weg, maakte niet uit waarheen, als het maar ver was. Klinkt als een vlucht. Maar waarvan? Ze heeft lieve, vrijzinnige ouders, zegt ze. Haar vader is gepensioneerd theaterdirecteur, haar moeder journalist. Goed, ze was geen uitblinker op school, maar dat kan toch de reden niet zijn? Toch zegt ze: „Wie volmaakt gelukkig is, hoeft niet weg te gaan.” Zij vond de Haarlemse wereld té perfect. Nu nog. „Ik logeer even bij mijn ouders. Als ik uit het raam kijk zie ik dat Haarlems geluk bestaat uit drie kinderen, twee salarissen, een Tesla en een bakfiets. Maar de mensen zien er afgetobd uit. Zo wil ik niet leven.” Ze heeft een aangeboren aversie tegen moeten, zegt ze. „Ik wil mijn leven om vrijheid laten draaien.” Dat zou onuitstaanbaar en heel millennial hebben geklonken als ze niet meteen zelf had gezegd dat haar vrijheidsdrang het „summum van welvaart” is. „Er zijn maar aan paar volkeren die de luxe hebben zich af te vragen ‘wie ben ik’ en ‘wat wil ik’. Dat geluk heb ik toevallig.”

Lees ook: Hoogleraar psychologie Ap Dijksterhuis legt uit waarom reizen goed voor je is

Wat ze merkt nu ze terug is in Nederland: reizen is het nieuwe roken. „Alles is een issue geworden.” Vlees eten is slecht. Reizen is overbodige luxe. Vliegen slecht voor het milieu. Duiken slecht voor de natuur. Zij is straks net zo goed een radartje in de toeristenindustrie. „Ineens moet ik me voor van alles verantwoorden.” Zij vindt reizen en moralisme een „ingewikkelde combinatie”. „Ik kan er, met al mijn verplaatsingen, moeilijk een oordeel over vellen. Maar dat activistische staat me niet aan. Ik bepaal zelf wat ik doe.”

Ze reist altijd alleen, óók om alles zelf te kunnen bepalen. Natuurlijk ontmoet ze mensen – ze heeft haar Fransman onderweg ontmoet – ze maakt makkelijk contact. „Soms snakken reizigers naar gezelschap, die haken bij je aan om energie te tanken. Heel vermoeiend.” Ze heeft geleerd niet al te aardig te zijn. „Er zijn mensen die veel landen zagen, maar niks van reizen begrepen. Voor velen is reizen een tussenstop in hun bestaan. Voor mij is het mijn leven.” Ze verdient haar geld met schrijven, voor Nederlandse kranten, tijdschriften en haar boeken. Sponsors heeft ze niet, en ze prijst ook geen (reis)producten aan zoals veel reisbloggers doen.

Geen vroeger of later

Voor haar begint de reis met belangstelling voor een continent. „Ik lees erover, bij voorkeur romans. Het gevoel dat ik dan krijg, dat reis ik achterna.” Ze bereidt zich minutieus voor, zorgt dat ze onderdak heeft voor de eerste dagen. „Dan ben je nog te ontheemd om goede keuzes te maken. Dat zijn precies de momenten dat je wordt beroofd.” De bevrediging van reizen zit in het moment van onderweg zijn zelf, zegt ze. „Er is geen vroeger of later. Er is geen klok, geen agenda en soms is het dodelijk saai. Mijn enig doel daar en dan is: me thuisvoelen in den vreemde.”

Bang is ze gek genoeg pas als ze ‘thuis’ is. „Ik heb een paar maanden in een huurappartement in Amsterdam gewoond. Ik durfde niet meer te slapen.” Ook niet toen haar vader tralies voor het raam maakte. „Ik voelde me een totale debiel.” Ze heeft op reis het nodige meegemaakt. Een poging tot verkrachting in Iran, een schimmige gedaante bij haar ziekenhuisbed in Zuid-Amerika. „Angst is de prijs die je betaalt als je alleen reist. Maar onderweg kun je niet bang zijn, dat is het einde van alles.” Ze is naar de huisarts gegaan. „Die zei: angst woont in je hoofd. Het is helemaal niet gek om ’s avonds een controlerondje door je huis te maken. Achter de gordijnen kijken, onder je bed, in de kast. Dat doe je één keer en dan is het klaar.” Hielp dat? „Ja.” Maar toen ze vier maanden alleen was in het huis in de Alpen kwam de angst weer terug. „Ik waagde me pas op die verlaten bergweggetjes gewapend met een dolk, een wapenstok en een gaspistool. Op reis heb ik nog geen zakmes bij me.” Wat hielp waren de honden. „Ik zou nooit gekozen hebben voor een hond.” De eerste was een aanlooppuppy op Fakarava, in Frankrijk namen ze er een asielhond als gezelschap bij. „Een Mechelse herder. Beschermen zit in zijn natuur.” Nu is ze zo aan de dieren gehecht, dat ze mee-emigreren naar het eiland, à raison van 10.000 euro transportkosten.

Lees ook: Iris Hannema’s aanbevelingen voor reisbestemmingen waar weinig toeristen komen

Haar reislust lijkt in haar laatste boek iets getemperd. Ze logeert in hotelkamers, ontbijt in hotels, verplaatst zich met taxi’s. „Die luxe permitteer ik me tegenwoordig. Ik vind het niet meer leuk om met tien man op een kamer te slapen, ik heb geen zin meer in een busrit van 53 uur voor 30 kilometer, ik wil niet met een backpack op mijn rug naar Soedan.”

Terug naar de haaien

Ergens rond haar 29ste is ze zich gaan afvragen of ze ‘dit’ haar hele leven wilde blijven doen. „Altijd weg zijn is een zware onderneming. Geen thuis hebben, ontheemd zijn. In Nederland heb ik geen sociale structuur meer over. Mijn vrienden zijn op één hand te tellen, en dan reken ik mijn ouders mee.”

Even leek ze tot stilstand te zijn gekomen in het vakantiehuis in de Alpen. Toen schreef ze: „Als ik terugdenk aan mijn reizen, zie ik iemand die rent, die haast heeft, weinig toeschietelijk is, doet wat ze wil en nergens bij wil horen.” Voor het eerst verlangde ze „naar rust, een gewoon bestaan, naar leven in plaats van overleven”. Maar haar geliefde wilde terug naar de haaien. „Dat is de tragiek van het Franse platteland, zegt ze. „Het is er prachtig, maar daar leven is wat anders.” Ze sloot de rolluiken van het huis, draaide de deur op slot en pakte haar koffers. „Ik heb inmiddels geleerd mee te bewegen.”

    • Rinskje Koelewijn