Mevrouw Heijkoop

Foto Annabel Oosteweeghel

Hoe leuk is het om 100+ te zijn?

Vier honderdplussers aan het woord over hun leven. Over wat ze met de extra jaren doen, hoe ze hun dag indelen en of ze zichzelf oud vinden .

Rinus Ooms (100), oud-hoofdmonteur

Al 84 jaar driehoog in Amsterdam-West. „Ik was een kosmopoliet, hoor!”

Foto Annabel Oosteweeghel

Toen ik geboren werd op zondag, ’t was nog voor twaalf uur, was de wereld nog helemaal nieuw voor mij. Een zondagskind, dat heb ik mijn verdere leven wel ondervonden.

Het zijn de eerste regels van een bundel velletjes, getiteld: ‘De Marinus Cornelis Ooms geschiedenis vanaf de geboorte 18-11-1917’.

Rinus Ooms (100) schrijft graag. Voor zichzelf, om mooie herinneringen vast te houden. En voor anderen, mocht hij er op een dag niet meer zijn. Naast een biografie schreef hij verslagen van binnen- en buitenlandse reizen. Treinkaartjes en folders werden bewaard, routes bij thuiskomst nageplozen. Op de schrijfmachine tikte hij alles zorgvuldig uit. „Waar ik ook naartoe ben geweest, ik heb er een boekje van. Ik was een kosmopoliet, hoor!” En zo komt het dat in zijn boekenkast een volledige plank door ringbandschriftjes in beslag wordt genomen.

Zomaar een exemplaar. Holland-America Line, 2003. Op het ms Maasland voer Ooms negen dagen over de Caribische Zee. „Schit-ter-rend.” Een ander boekje is gewijd aan ‘Onze trots’: de drie boten die hij eigenhandig bouwde. Onze trots 3, een Westland-dieselkruiser, had hij 38 jaar in bezit. Met zijn vrouw Christina verbleef hij weken op het water. „Een groot gevoel van vrijheid.”

Rinus Ooms mag dan van reizen houden, hij woont al 84 jaar op hetzelfde adres, driehoog in Amsterdam-West. In dit huis zag hij zijn kinderen opgroeien, moest hij afscheid nemen van zijn moeder en zijn echtgenote. Hij dook er onder toen twee moffen en een Hollandse agent hem kwamen zoeken omdat hij zich niet voor de Arbeitseinsatz had gemeld. „Mijn broer gaf hun de sleutel van de zolderkamer van de buren. Daar lag enkel steenkool.”

Voor de oorlog onderhield Ooms machines in een eau-de-colognefabriek aan de Frans Halsstraat. Later werkte hij als hoofdmonteur van het gemeentelijke energiebedrijf. Na zijn pensionering deed hij tot een paar jaar geleden „handenarbeid”: hij repareerde fietsen van buurtgenoten, meer dan honderd tilde hij er de vier trappen naar zijn werkplaats op.

Aan zijn laatste verjaardag hield Ooms, naast een ingelijste oorkonde van de stadsdeelcommissie, een kast vol wijn en Spaanse likeur over. De meeste gasten dronken liever koffie. „Snap je dat nou?” Het was een geweldig feest, aldus Ooms, maar honderd worden vond hij op zichzelf niet zo bijzonder. „Elke verjaardag is er één.”

Een zondagskind is hij nog altijd: zijn geest is nog goed en zijn dochter is, vermoedt hij, trots op hem. Hij is relatief gezond. „Ja, ik scharrel en ik wankel, als ik niet oppas val ik zo om.” Als er een pil bestond die hem weer zo fit maakte als hij ooit was: heel graag.

Paul Moerman (101), oud-makelaar

„Mijn huisdokter zegt altijd: meneer Moerman overleeft alles”

Foto Annabel Oosteweeghel

Paul Moerman (101) wordt de nestor van het Rapenburg genoemd. Sinds 1955 woont hij in een monumentaal pand aan de gracht die eens werd aangelegd om Leiden tegen vijanden te beschermen. Hij hoopt nooit meer te verhuizen. Wat hem betreft mogen ze ’m hier wegdragen, zegt hij. „Het is een prachtige plek, je verveelt je nooit.”

Met zijn wandelstok wijst hij naar een raam aan de zijkant van de woonkamer. „Zie je die muur daar? Daar woonde de koning, zeven jaar lang. Achter die muur sliep hij. Een aardige man. Een student onder de studenten.”

Op de salontafel liggen twee van de vier kranten waarop hij is geabonneerd: het Leidsch Dagblad en het Financieele Dagblad. Hij is een zakenman: precies zestig jaar, tot 2007, was hij zelfstandig makelaar en taxateur. Hij handelt nog graag op de beurs, al gaat het hem niet per se om de winst. „Het is een uitweg, om mijn zinnen te verzetten.” Hij belegt vooral in Nederlandse bedrijven: Koninklijke Olie, Unilever, DSM. „Als ik fit ben, kijk ik vijf keer per dag naar de koersen op Teletekst.”

Het praten kost enige moeite, Moerman zit diep weggezonken in zijn bruine leren stoel. Hij is herstellende van bronchitis, opgelopen tijdens de herdenking van de slag om Ypenburg. Moerman was grenadier in het tweede bataljon, dat op 10 mei 1940 het vliegveld heroverde op de Duitsers. „De dag der verschrikking”, noemt hij het. „De granaten vlogen over ons hoofd, je kon zo weggemaaid worden. Tot overmaat van ramp werden we ook nog door de Engelsen gebombardeerd.” Ieder jaar is hij te gast op Veteranendag. Dan draagt hij zijn kepie (hoge uniformpet) en op zijn borst een lijst met namen van dertien gevallen compagniegenoten.

Dat hij de 100 zou halen, had Moerman eigenlijk niet verwacht. Zijn vader, verstokt roker, werd 54. Zijn broer, een driftige boer, 75. Longontsteking, een blindedarmoperatie, een zware hernia – zelf kwam hij het allemaal te boven. „Mijn huisdokter zegt altijd: ‘Meneer Moerman overleeft alles.’ Hij denkt dat ik 106 word. Nou dokter, antwoord ik dan, ik heb liever dat u dat niet zegt. Ik weet hoe broos het leven is, ik heb twee dierbare vrouwen verloren.”

Als hij zijn geloof niet had, zegt Moerman, was hij waarschijnlijk al lang door de zinloosheid van het bestaan overvallen. Hij gelooft dat elk mensenleven wordt geleid. „Ieder krijgt zijn beproevingen.”

De Bijbel is zijn „richtlijn”, en zo mogelijk gaat hij iedere zondag, met de auto, naar de kerk. Een echt geloof brengt volgens hem activiteit met zich mee: bidden, danken, vertrouwen, strijd. „Ook als het niet zo leuk meer is moet je bereid zijn dankbaar verder te gaan. Tel je zegeningen.”

Hans Maier (101), oud-olympiër

“Bij rechten horen plichten”

Foto Annabel Oosteweeghel

Hans Maier was in de negentig toen hij besloot dat hij een website wilde. De opwarming van de aarde, de plastic soep, corruptie, machtsmisbruik: het werd, vond hij, tijd dat de mens aan zijn verantwoordelijkheden werd herinnerd. „De Verenigde Naties kwamen in 1948 met universele mensenrechten. Maar bij rechten horen plichten.” Met zijn Human Duties Network wil hij een begin maken met de formulering van die plichten. Basisgedachte: we zouden meer moeten leven volgens de beginselen van de sport. „Je spreekt regels af en houdt je daaraan. Dat zou een logische formule voor beschaving zijn.”

Met zijn 101 jaar is Maier de oudste Nederlander die aan de Olympische Spelen meedeed. In de zomer van 1936 kwam hij in Berlijn uit voor het Nederlands waterpoloteam, op de Spelen die later bekend zouden worden als de Spelen van Hitler. „Ja, de bruinhemden met dat rode hakenkruisinsigne op de mouw vielen op. Maar voor ons was het vooral één groot sportfeest.” De waterpoloërs werden vijfde.

Maier zit in een luie stoel in zijn lichte appartement aan de rand van Den Haag. Zijn woonkamer kijkt uit op het groen van landgoed Clingendael. Buiten komt hij helaas niet zo vaak meer. Het lopen gaat gebrekkig, zegt Maier, na een heupoperatie op zijn 94ste is hij wankel gebleven. De dames en heren van de thuiszorg helpen hem in zijn steunkousen. Zijn dochter zoekt hem bijna dagelijks op.

Vraag je of hij zichzelf oud vindt, dan zegt Maier: „Helemaal niet. Integendeel.” Verderop woont een meneer, díé vindt hij oud. „Die is zo zwaar op de hand.” Oud zijn heeft volgens hem meer met belangstelling dan met leeftijd te maken. „Ik ben geïnteresseerd. Ik lees de krant en kijk televisie. Daardoor kan ik meepraten.”

Op tafel liggen een NRC en De Telegraaf – „dat is de grootste krant van Nederland en ik wil graag weten wat de mensen lezen”. Maier heeft abonnementen op het Indische maandblad Moesson, Onze Taal, De Correspondent en The Economist. Met zijn dochter speelt hij Wordfeud op de iPad. Het komt regelmatig voor dat hij midden in de nacht een woordje legt. Maier: „Ik heb te weinig uren in een dag.”

Koosje Heijkoop (102), oud-verkoopster

“Ik hou van een beetje wild”

Foto Annabel Oosteweeghel

Ze staat al te wachten op het balkon van haar galerijflat, tussen de bloeiende hortensia’s, geraniums en afrikaantjes. „Ik ben Koosje”, zegt ze. Coby, Coos - ze luistert overal naar, zolang het maar geen Jacoba is. Huuuh. „Zo’n rotnaam. Altijd al gevonden. Vanaf dat ik ’m verstond, zeg maar.”

„Een kopje thee?” Met vlugge pasjes loopt ze van de hal naar de keuken, zet een pannetje water op de keramische kookplaat. De roomboterkoekjes komen van Theo Blom uit de Zadelstraat, de beste banketbakkerij van Utrecht. Gekregen van de burgemeester, voor haar laatste verjaardag. „Ik ben al 102 hè?” Haar blauwe ogen twinkelen.

Koosje Heijkoop draagt een witte blouse met borduursels en een grote kanten kraag. Om haar rechterpols een armband met gouden muntjes – haar man was edelsmid. Ze houdt van „gezellige kleren”: haar kasten hangen vol blouses en pakjes. „Ik moet er wel in kunnen bewegen. Zeker als ik ga dansen.”

Dansen doet ze iedere dinsdag, van half 10 tot half 12. Ze danst als man, om de simpele reden dat er een mannentekort was toen ze begon, dertig jaar geleden. Het is werelddans. „Mexicaans, Portugees, Pools, je kunt het zo gek niet prakkiseren.”

Ze vindt alle stijlen leuk. „Ik hou van een beetje wild. Do-si-do’s, veel draaien, cirkels om elkaar heen. Dan moet je goed opletten, want als er één verkeerd gaat loopt alles in het honderd.”

Ze heeft, zegt ze, een rijk sociaal leven. Met vriendin Annie doet ze op zaterdag boodschappen. „We gooien gewoon alles bij elkaar in de rollator. Daarna drinken we gezellig koffie, en reken ik de zaak even na.” Buurvrouw Nies bezoekt ze iedere vrijdagavond. „Soms zitten we om half één nog buiten met een ijsje of een flesje wijn.”

Ze is niet snel boos te krijgen. „Maar ik kan niet tegen onrecht. Kwam ik op een middag op bezoek bij een vriendin in het verpleeghuis, lag ze nog in bed! Ik heb net zo lang stennis geschopt tot ze eruit werd gehaald. Het kan me absoluut niet schelen wat ze van me denken.”

Als ze morgen niet naar het ziekenhuis zou moeten voor een nieuwe pacemaker, was ze vandaag met de Plusbus naar Scheveningen gegaan. Terwijl ze praat gaat de telefoon: wegens omstandigheden kan de ingreep niet doorgaan. „Mijn hemel. Nou ja, dan ga ik toch maar dansen.”

    • Anne-Martijn van der Kaaden