Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Gesmoord

Column

Bij het pontje in Oostknollendam, een Anton Pieck-dorpje in de buurt waar ik tot voor kort nog nooit van gehoord had, werd ik opgehouden door een tachtigjarige wandelaar aan wie ik uit beleefdheid had gevraagd of hij naar Marokko-Portugal had gekeken.

„Voetbal is het enige wat ik nog heb, daarna komt de Tour de France en daarna ga ik dood.”

Een ongevraagd levensverhaal. Ik luisterde beleefd, ondanks twee schreeuwende kinderen op de fiets.

Altijd in Oostknollendam gebleven, veehandelaar geweest, vrouw overleden, zoon op een dag met ruzie vertrokken om nooit meer terug te keren, dieptepunt: een 82-jarige zus die ook nog in het dorp woont.

Hij zei dat hij vroeger een hoge, schelle stem had, maar dat die door een puffer en de prednison anders was gaan klinken.

Hij schreeuwde voor de vorm wat ‘godverdommes’.

„Ik rasp, dat wordt alleen maar erger.”

Hij had een weiland met vier schapen als hobby, maar die waren toen hij in het ziekenhuis lag op last van zijn zus afgevoerd.

De ellende was begonnen met pijn in de schouders. Toen hij zich bij Zaans Medisch Centrum liet checken moest hij meteen blijven. „De dokter zei dat ik een wandelende tijdbom ben. Er zijn wat aders vrijgemaakt, maar lang heb ik niet meer. Meneer, de dood staat voor u. Ik kan ieder moment neervallen.”

Toen hij het ziekenhuis verliet mocht hij niet terug naar zijn woning, een verzorgingstehuis werd niet vergoed. „Ze zeiden ‘u heeft nog een zuster’, en nou zit ik bij haar. We kunnen elkaar niet luchten of zien. Ik wandel me een slag in de rondte om maar niet bij haar te hoeven zijn. Ik leef van wedstrijd naar wedstrijd. Zij kijkt uit naar mijn dood, de dag dat ik neerval gaat bij haar de vlag uit.”

„Vanavond Spanje”, zei ik afrondend.

„Vanavond tuinbonen”, zei hij, „ik ben al blij dat ik mee mag eten. Ik ben totaal afhankelijk. Als ze me niets geeft val ik ook om.”

Hij wees naar een vrijstaande boerderij.

„Als er binnenkort een lijkauto bij dat huis staat kun je gerust zwaaien, dan ben ik het.”

Toen we wegfietsten zei hij: „Ik word niet vermoord, ik word gesmoord.”

Ik reed dat dorp uit. De kinderen hielden op met schreeuwen en de zon kwam door, het was ondanks alles toch een prachtige dag.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen