Opinie

Geen Marshallplan voor Afrika

Ontwikkelingshulp

Arme Afrikaanse landen moeten voortdurend naar de pijpen van het donerende Westen dansen, schrijft . Dat heeft al vijftig jaar „desastreuze gevolgen”.

Illustratie Munir de Vries

Zonder ironie: zou een Marshallplan voor Afrika een goed idee zijn? Volgende week debatteert de Tweede Kamer over de beleidsnota van minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, D66) om arme landen „uit de ellende te halen”. De Duitse bondskanselier Angela Merkel heeft zo’n ontwikkelingsplan al minstens een jaar op tafel liggen. Haar Franse ambtgenoot Emmanuel Macron is sceptisch. Tijdens de G20-top, vorig jaar in Hamburg, wilde een Ivoriaanse journalist van de jonge Franse president weten welk bedrag de G20-landen in de envelop zullen stoppen om „Afrika te redden”. „Ik zal u zeggen: ik geloof daar niet in. Geen seconde. Sorry voor mijn directheid”, aldus Macron.

Het is niet zo simpel, wilde hij maar zeggen. Terecht. Miljarden pompen naar arme landen heeft in het verleden niet gewerkt (rijke landen geven jaarlijks meer dan honderd miljard dollar uit aan ‘ontwikkelingshulp’) en gaat nu ook niet werken. De Afrikaanse problemen van nu verschillen met die van West-Europa na de Tweede Wereldoorlog. In de woorden van Macron: het Marshallplan was een wederopbouwplan, terwijl Afrika vooral met „beschavingsproblemen” kampt.

Door het woord „beschavingsproblemen” in de mond te nemen, onthulde Macron zijn gebrek aan historisch bewustzijn. Want onder het mom van ‘beschaving’ hebben Fransen en andere westerse mogendheden eeuwenlang de handel in Afrikaanse slaven gelegitimeerd, gemeenschappen uit elkaar gedreven en culturen van lokale bevolkingen vernietigd – oftewel bijgedragen aan de „onderontwikkeling” van Afrika, zoals de pan-Afrikaanse intellectueel Walter Rodney in zijn boek How Europe Underdeveloped Africa laat zien. Het kan dus geen kwaad om de Franse president bij te spijkeren in historische sensitiviteit.

Desalniettemin snijdt zijn probleemanalyse hout: Afrika heeft geen Marshallplan nodig. Afrika heeft sterke instituties en eerlijke handel nodig.

Duizenden talen, etniciteiten en culturen

Afrika is geen land – het is een continent van vijfenvijftig landen die samen duizenden talen, etniciteiten en culturen rijk zijn. Het goed georganiseerde Tanzania en Ghana bijvoorbeeld, zijn op geen enkele manier te vergelijken met de chaotische Democratische Republiek Congo en Somalië. Maar het feit dat Afrikaanse landen oververtegenwoordigd zijn op de laagste ladder van de VN-index van de menselijke ontwikkeling zorgt ervoor dat het continent vooral met ellende en verwaarlozing wordt geassocieerd. En dat roept medelijden en angst op.

Daarom kan onze minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een donorconferentie in Genève organiseren met als doel geld in te zamelen voor zielige vluchtelingen in Congo. Dat gebeurde afgelopen april, toen Sigrid Kaag zich manifesteerde als witte redder voor hopeloze Congolezen. Tegelijk is er angst dat die wanhopige Afrikanen Europa overspoelen. Daarom kan dezelfde minister een beleidsnota presenteren waarin het tegengaan van immigratie van deze zielige Afrikaanse migranten een prominent beleidsdoel is.

Het beleidsprogramma ‘Marshallplan voor Afrika’ dat begin vorig jaar door het Duitse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking werd gepresenteerd, spreekt ook de taal van angst en medelijden. Het beleidsplan is gebaseerd op een rapport van de Club van Rome en Senat der Wirtschaft waarin Berlijn wordt geadviseerd de ontwikkelingshulp voor Afrika te vergroten. Volgens de twee gezaghebbende belangenorganisaties zou deze kapitaalinjectie bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering en migratie uit Afrika.

En zo blijft het zogenaamde Marshallplan voor Afrika vooral een wanhopige poging van de federale Duitse overheid om Afrikanen op hun continent te houden. Angela Merkel staat sinds de zogenaamde vluchtelingencrisis van 2015 (zogenaamd, omdat de crisis in mijn ogen eerder een solidariteitscrisis is) onder druk van haar zusterpartij CSU en de nationalistische AfD om de migratiestroom naar Duitsland in te dammen. Dat verklaart onder meer waarom de bondskanselier in 2016 twee keer binnen zes maanden naar het Afrikaanse continent reisde, terwijl zij er in de vijf jaar daarvoor geen voet had gezet. In ruil voor geld moeten Afrikaanse landen als Mali, Ethiopië, Tunesië en Niger hun mensen op het continent houden. Wie betaalt, bepaalt.

Ontschepingsplatforms

Dat principe deed zich deze week opnieuw gelden. Aan de vooravond van de top van Europese regeringsleiders over asielbeleid opperde EU-president Donald Tusk om migrantenboten terug te slepen naar ‘ontschepingsplatforms’, waar de economische migranten van de vluchtelingen zouden worden gescheiden. De platforms liggen naar verluidt in Noord-Afrika. Hier zijn, net als bij de Turkijedeal, miljarden mee gemoeid. De Tweede Kamer stemde voor een motie die in essentie voor zulke ontschepingsplatforms pleit.

Er gaat jaarlijks netto meer geld van arme landen naar rijke landen dan vice versa. Zo hebben arme landen in 2012 in totaal 1,3 biljoen dollar van rijke landen ontvangen. In datzelfde jaar ging maar liefst 3,3 biljoen dollar van arme naar rijke landen. Deze cijfers zijn afkomstig uit het rapport Financial Flows and Tax Haven (2016)van het Amerikaanse Global Financial Integrity (GFI) in samenwerking met de Norwegian School of Economics (NHH). Daarbij keken de onderzoekers niet alleen naar data over ontwikkelingshulp, maar ook naar investeringen, leningen, rente, kwijtscheldingen en andere legale en illegale financiële stromen. Hun conclusie is verbluffend: sinds 1980 hebben ontwikkelingslanden netto 16,3 biljoen dollar verloren via belastingontwijking, valse handelsfacturen en legale financiële stromen.

Lees ook: Kijk niet door een witte bril naar Afrika

Antropoloog Jason Hickel van de London School of Economics concludeerde op basis van het GFI-rapport: op iedere dollar die arme landen van rijke landen krijgen, verliezen ze netto 24 dollar. Het rapport blinkt niet uit in nuance, maar de strekking van Hickels conclusie blijft wat mij betreft overeind: juist de arme landen ontwikkelen de rijke landen – niet alleen ten tijde van de Trans-Atlantische slavenhandel en kolonisatie, maar ook nu. Om preciezer te zijn: er gaat jaarlijks meer geld van Afrika naar Europa dan andersom.

Het Nederlandse belastingparadijs maakt het mogelijk dat de dochter van een voormalige Angolese dictator, Isabel dos Santon, een half miljard euro op de Zuidas parkeert, zoals het financiële onderzoeksblog 925 begin dit jaar onthulde. Dos Santos, ze is met een door het tijdschrift Forbes geschat vermogen van 3,3 miljard dollar de rijkste vrouw van Afrika, wist dankzij een Nederlandse fiscale constructie maar liefst 458.176.000 euro uit Angola weg te sluizen.

Diezelfde constructie zorgde ervoor dat de Israëlische miljardair en zakenman Dan Gertler gestolen miljarden uit de Congolese mijnen wist weg te werken, zoals de Volkskrant begin dit jaar onthulde.

Een sterke staat

Er is geen enkel land in de geschiedenis van het menselijk dier dat dankzij ontwikkelingshulp voorspoed en welvaartsgroei heeft gerealiseerd. Geen. Nul. Een eerstejaars student economie weet dat een politieke gemeenschap een sterke staat nodig heeft die haar burgers de kans geeft om individuele vooruitgang te bevorderen. Een eerstejaars student politicologie leert dat de samenleving bestaat bij de gratie van een contract tussen de overheid en haar burgers.

Beide studenten leren dat een overheid die niet legitiem en effectief is, gedoemd is te mislukken. Daarnaast leren ze ook dat een staat inclusieve instituties moet hebben die haar burgers de kans geven om te excelleren. Alleen zo kan een land waarachtige welvaartsgroei realiseren.

Het zijn simpele basisprincipes die in het gesprek over internationale samenwerking ineens irrelevant blijken. Met desastreuze gevolgen. Doordat ontwikkelingshulp zich uit medelijden richt op symptoombestrijding (armoede, ziekte, analfabetisme) hoeven arme, Afrikaanse landen niet te werken aan structurele oplossingen. En omdat arme Afrikaanse staten vooral aan de eisen – en de behoeften – van hun donorlanden moeten voldoen, hoeven ze geen contract met hun burgers aan te gaan. Ze zoeken hun legitimiteit in Brussel en Berlijn – niet in de straten van Caïro en Yaoundé.

In het gesprek over ontwikkelingssamenwerking moeten wij een onderscheid maken tussen noodhulp en ontwikkelingshulp. Ontwikkelingsorganisaties (ngo’s) werken hard om mensen in nood te helpen. Ik ben het levende bewijs van hun diensten. Elf jaar geleden woonde ik in een vluchtelingenkamp in Tanzania, nadat ik jaren daarvoor uit Congo was gevlucht. Het is dankzij de inzet van ontwikkelingsorganisaties dat ik middelbaar onderwijs heb genoten. Zonder hen zou ik nooit een universitair diploma in Nederland hebben behaald. Nooit dit essay hebben geschreven. Het zou potsierlijk zijn om vanuit mijn positie kritiek op de ontwikkelingssector te uiten, zonder de toegevoegde waarde van ontwikkelingsorganisaties te erkennen. Op persoonlijk niveau maken ze het verschil.

Maar ontwikkelingsorganisaties verkeren in een merkwaardige hulpparadox: in een poging mensen en landen zelfredzaam te maken, doen zij juist het tegenovergestelde. Na vijftig jaar ontwikkelingshulp of, beter gezegd, de mislukking ervan, zou het helpen als ontwikkelingsorganisaties en andere cheerleaders van ontwikkelingshulp kritisch over hun rol nadenken. Het moet mogelijk zijn om een open gesprek te hebben over de desastreuze gevolgen van ontwikkelingshulp, zonder de oprechte inzet van mensen te bagatelliseren. Hoe tegenstrijdig het ook klinkt, echte bondgenoten van de zogenaamde ontwikkelingslanden moeten het huidige model van ontwikkelingshulp heroverwegen. Het is the gift that keeps on feeding: rijke landen hebben baat bij het feit dat arme landen chronisch afhankelijk blijven.

In de tussentijd kunnen ontwikkelingsorganisaties de schade beperken – door de hongerigen te voeden en de analfabeten (ik was er ooit een) te onderwijzen. Maar dat is wel een afleidingsmanoeuvre van wezenlijke zaken: wapen- en migratiedeals met dictators, belastingontwijking en belastingontduiking, oneerlijke concurrentie. Door het aanpakken van dit soort fnuikende praktijken zouden arme Afrikaanse landen werkelijk uit de ellende worden gehaald. Maar dat gebeurt voorlopig niet. Daarom had Emmanuel Macron deels gelijk: niet alleen Afrika, maar ook Europa kampt met beschavingsproblemen.