Sake Roodbegen

Foto Olivier Middendorp

‘Kiewiét-kiewiét-kiewiét’, een verdwijnend geluid

Sake Roodbergen Traditioneel duikelden er in het voorjaar overal kieviten boven de Friese weilanden. En er waren eierrapers. Beide verdwijnen, ziet aaisiker Sake Roodbergen. Hij schreef een boek over de kievit.

Het is een idyllisch plaatje: het weidegebied rond het Friese Grou waar Sake Roodbergen als tienjarige jongen zijn eerste kievitsei vond. Eindeloos zwierf hij er rond, ruim zestig jaar geleden, tussen boterbloemen en zuring. In het riet hoempte de roerdomp, in de lucht zweefde de bruine kiekendief. En overal hoorde je het roepen van de ‘heraut van de lente’: het melancholieke kiewiét-kiewiét-kiewiét.

In dat landschap leerden Sake en zijn vriendjes het aaisykjen – de kunst van het eierzoeken. Hoe je al van verre kon zien in welk veld een kievitsnest lag. Hoe de alarmerende ouders verraadden waar het nest ongeveer moest liggen. En hoe je er vervolgens behoedzaam naar moest zoeken, om vooral niets te vertrappen.

Die traditie is voorgoed verleden tijd. In 2015 zette de Raad van State een streep door het eierzoeken, na decennialang touwtrekken tussen voor- en tegenstanders. Het waren niet de ethische bezwaren die de doorslag gaven. Het was de halvering van het aantal broedende kieviten sinds 1995, tot zo’n 200.000 paar. Nog altijd dalen de aantallen jaarlijks met bijna 5 procent. Maar het eierzoeken heeft daarmee niets te maken, aldus de eierzoek-voorstanders. In tegendeel. Want aaisykjen, „dat is zoveel meer dan het oprapen van een ei uit een nest”, schrijft Roodbergen in zijn boek De Kievit, dat op 1 juni verscheen.

Verbondenheid

Hoe kan eierzoeken goed zijn voor de kievitenstand? Roodbergen neemt uitgebreid de tijd om het uit te leggen, op een zomerse voorjaarsdag in het boerenland bij Grou. Hij stapt stevig door, verrekijker om de nek, sportieve pet op het hoofd. Hij is begin zeventig en oogt een stuk jonger. Hij vertelt veel en lacht graag, met glanzende pretogen.

We lopen naar een vogelkijkhut aan de rand van een plas-drasweiland. „Eigen initiatief van boer Peenstra, de eigenaar van dit land”, vertelt Roodbergen. „Die houdt erg van vogels. Hopelijk zien we hier een paar kieviten.” De hut biedt een mooi uitzicht op de ondiepe plas, waar smienten en slobeenden zwemmen. Een paar kluten peuren in de modder met hun dunne kromme snavels. Twee tureluurs stappen parmantig heen en weer. Maar kieviten zijn er niet. We horen ze evenmin. Roodbergen speurt met zijn verrekijker de omgeving af.

Aaisikers, zo vertelt hij, dat zijn mensen met een intense verbondenheid met het land. Ze oogsten wat de natuur hun biedt, maar ze geven daar ook iets voor terug: nazorg, zoals de Friezen dat noemen. Want wie eieren zoekt, is per definitie ook vogelwachter. Die raapt alleen de vroegste nesten, en zorgt vervolgens met hart en ziel voor de vervangende legsels die de vogels daarna voortbrengen. Want dat doen kieviten altijd, aldus Roodbergen. „Ze kunnen dat probleemloos doen, als geen andere soort, tot wel drie keer per seizoen.”

Die paar duizend geraapte eieren per jaar maken geen enkel verschil voor de kievitenstand, benadrukt Roodbergen: „Er is ook geen enkele serieuze bioloog die dat beweert. Het is uitgebreid onderzocht, en steeds komt dat eruit.” Terwijl de nazorg die erop volgt, juist een positief effect heeft. Ook dat is helder vastgesteld, door Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Ná het raapseizoen proberen de vogelwachters zo veel mogelijk nesten te vinden. Daar plaatsen ze dan stokjes bij – niet vlak ernaast, om de vos niet op een idee te brengen, maar enkele meters aan weerszijden – zodat de boer eromheen kan maaien. Veel van die nesten gaan anders door het vroege maaien verloren.

De vogelwachters zijn verenigd in de Bond van Friese Vogelwachters (BFVW), die 20.000 leden heeft. „Op het hoogtepunt rond 2004 waren er 6.500 actieve leden die zich elke vrije minuut met nestbescherming bezighielden”, vertelt Roodbergen, die zelf jarenlang bestuurslid was van de BFVW. „Qua percentage van de bevolking stak Friesland daarmee torenhoog boven de andere provincies uit.”

Vullen van de pet

Een kritische vraag ligt voor de hand: kunnen de Friese vogelwachters geen nesten beschermen zonder eerst eieren te mogen rapen? „Het verlies van het eierzoeken betekent het einde van de betrokkenheid”, zegt Roodbergen heel stellig. In zijn boek schrijft hij: „Het aaisykjen was voor mij veeleer het vullen van hoofd en hart dan het vullen van de pet. Om de vogel weefden zich sterke verhalen die werden doorverteld van geslacht op geslacht. Talloos zijn de gedichten en liedjes over de kievit, zijn aankomst, gedrag, zijn eieren, zijn bescherming. Die verbintenis is breed, en gaat door alle lagen van de samenleving.”

De echt verknochte Friezen zullen wel nesten blijven beschermen, vermoedt Roodbergen. „Die spanning, die uitdaging van dat vinden van die nesten… Dat is hun passie geworden. Maar het probleem is dat je geen nieuwe aanwas meer krijgt.”

De slobeenden zijn in slaap gevallen, de kluten en tureluurs stappen nog rond. Kieviten laten zich nog steeds niet zien. Wel vliegt er nu en dan een roepende grutto over. Die andere iconische weidevogel, die net zo hard achteruit holt als de kievit.

Roodbergen kijkt peinzend uit over de plas. „Er is in de loop der tijd een enorme polarisatie geweest”, vertelt hij. „We hebben als kemphanen tegenover elkaar gestaan. Doodzonde – want we zouden als natuurbeschermers juist samen moeten optrekken.”

Die polarisatie, zo meent hij, is ten koste gegaan van de discussie die er écht toe doet: die over de staat van het Nederlandse boerenland. „De intensieve landbouw is de dood voor de biodiversiteit”, stelt hij. De grootschaligheid, de monocultuur van mais en Engels raaigras, de ontwatering, de overbemesting. De moderne pesticiden, met name de neonicotinoïden, die jarenlang golden als hét wondermiddel in de gewasbescherming. Pas de laatste jaren is duidelijk geworden wat de ecologische gevolgen ervan zijn – niet alleen voor allerlei nuttige insecten, maar ook voor de vogels die daarvan afhankelijk zijn.

Samen hielpen al die factoren mee aan de teloorgang van de zogeheten ‘rijke weide’: afwisselend, bloemrijk grasland, waarin de weidevogelkuikens hun insecten vinden en de oudervogels hun rode wormen. Waar boeren pas laat maaien en eieren en kuikens dus niet in de cyclomaaiers terechtkomen. Het belang van die rijke weide vormt de hoofdmoot van het boek van Roodbergen. Ook schrijft hij vol vuur over de biologie van de kievit, van de balts tot de schattige donzen pulletjes en de jaarlijkse trek naar het zuiden.

In het land van boer Peenstra klinkt er nog altijd geen kiewiét. Alleen heel in de verte wiekt er een typisch silhouet, buitelend met brede vleugels: een eenzame kievit. We verlaten de hut en maken een autorit door dit deel van Friesland, het Lage Midden, een typisch veenweidegebied. „Ooit een paradijs voor weidevogels”, zegt Roodbergen achter het stuur, „maar nu een doodse steppe”.

De gemiddelde bezoeker ziet een lieflijk landschap met een kronkelend riviertje en fluitenkruid. Maar wie kritisch kijkt, moet Roodbergen gelijk geven. Dit is het hoogtepunt van het broedseizoen, en er is nauwelijks een weidevogel te zien. Aan het eind van de rit, een goed uur later, staat de teller voor de hele dag op vier kieviten. Waarvan maar ééntje met een nest. Dat hadden er vele tientallen moeten zijn, zo rekent Roodbergen voor. „Mijn boek is eigenlijk een necrologie geworden”, constateert hij. „Er groeit nu een hele generatie op die niet meer weet hoe kieviten klinken.”

Uitkopen

Hij wil niet treurig afsluiten. „Ik ben een optimist”, zegt hij. „Er zijn manieren om het anders te doen. Steeds meer boeren staan daarvoor open.” De tijd is rijp voor een nieuw soort ruilverkaveling, stelt hij vast, waarbij de overheid boeren uitkoopt die geen hart hebben voor de ‘rijke weide’, en anderen juist de kans biedt die te ontwikkelen. Roodbergen: „Met een fractie van wat we nu uitgeven aan landbouwsubsidies, kunnen we al heel mooie dingen doen.”

Het momentum is er, vindt hij: het Nederlandse publiek verkoos de grutto tot onze nationale vogel. Sovon en Vogelbescherming riepen 2016 uit tot het Jaar van de Kievit. Met Leeuwarden als Culturele Hoofdstad van Europa is er dit jaar extra aandacht voor weidevogels. En ook politiek is een omslag gaande. „Landelijk zijn er hoopgevende ontwikkelingen rond het beheer van het veenweidegebied”, vertelt Roodbergen. „De Friese oppositiepartijen hebben een aantal belangrijke initiatieven voorgesteld waar de agrarische sector welwillend tegenover lijkt te staan. Die plannen noemen expliciet de weidevogels. Dus ja, ik zie een sprankje hoop. Lichtpuntjes in donkere tijden.”

    • Nienke Beintema