Bas Heijne: „Terug naar de jaren vijftig kunnen we niet, maar je moet wel oog hebben voor het verlangen daarnaar.”

‘Ik wil me weer een beetje verloren voelen’

Bas Heijne Na achttien jaar stopte Bas Heijne vorige week met zijn column in NRC. En hij ging in Parijs wonen. Het zwaarst aan het schrijven was de eeuwige twijfel of het wel goed was – al leerde hij daarmee omgaan. ‘Vroeger dacht ik om drie uur ’s nachts: de krant bellen, kan hij er nog uit?’

Parijs 9de, Rue des Martyrs, een huurappartement boven een groente- en fruitzaak. De meubelen zijn er nog niet, maar hij heeft hier vannacht al wel geslapen, op een luchtbed. En er is een koffiezetapparaat. Hij doet er een nieuw cupje in, van Albert Heijn, en stuurt een berichtje naar een Parijse vriend die langs zou komen. Even vergeten dat hij vandaag (en niet morgen) met mij had afgesproken. Zondag 17 juni, het weekend van zijn laatste column. We staan in zijn keuken en na twee uur staan we er nog, terwijl het idee was dat we gingen wandelen.

Ik zag talloze reacties op Twitter op je vertrek als columnist.

„Ja, dat is wel eh…”

Hartverwarmend?

„Er zijn mensen die me haten en ik dacht dat die ook wel zouden losgaan. Maar nee.”

Je lezers houden van je.

„Over een paar maanden houden ze van Tommy Wieringa. Of haten ze hem.” (Tommy Wieringa volgt hem na de zomer op.)

Heb je al spijt? Of ben je opgelucht?

„Dat weet ik nog niet, maar elke week die sprong van de hoge duikplank…” Hij tikt nog een berichtje aan de Parijse vriend. „Ik liet het meestal wel even van tevoren aan iemand lezen, maar dan nog…”

Aan wie?

Hij aarzelt. „Hassan Bahara van de Volkskrant, een goede vriend. Vroeger, toen ik nog columns voor Vrij Nederland schreef, belde ik mijn moeder. Ze had een goed taalgevoel en als er een woord in stond dat” – hij kijkt alsof hij een pijnscheut voelt – „net niet helemaal lekker was, too much, dan hoorde ik aan de manier waarop ze niks zei: dat moet eruit.”

Wat bedoel je met die hoge duikplank?

„Je hebt een idee en een invalshoek, je gaat schrijven en dan neem je toch een andere afslag en je weet niet zeker… Zoals in mijn laatste column, die dichtregel van W.H. Auden, uit 1939, We must love one another or die, waar hij na de oorlog We must love one another and die van maakte, omdat hij zich ervoor geneerde. Liefhebben of sterven, sentimentele nonsens, alsof we niet sowieso allemaal doodgaan. En dan schrijf ik dat die regel, de eerste regel, een hogere waarheid in zich draagt en de grondtoon vormt van alles wat ik op die plek heb geschreven. Daar eindig ik de column mee en een halfuur later denk ik: is het niet eh…”

Lees hier de laatste column van Bas Heijne: Slotakkoord

Too much?

„Haha, ja.”

Je hebt het wel laten staan.

„Ik heb geleerd mijn twijfel weg te denken. Vroeger lag ik er wakker van. Dacht ik om drie uur ’s nachts: de krant bellen, kan hij er nog uit?”

En ’s morgens, wat dacht je dan?

„Hij is best goed. En vaak, na een paar uur: heel goed. Haha. Het schrijven zelf kostte me nooit de meeste energie, al word je er wel doodmoe van. De twijfel, die was het zwaarst.”

Hoe vaak vond je je column heel goed?

Hij aarzelt weer. „Ik heb nu een bundel gemaakt en als je ze dan weer allemaal leest zie je pas of een column diepte had, of het slechts een puntje in de actualiteit was of een idee. Die puntjes veroorzaakten vaak veel meer reacties, waardoor ze in je hoofd zijn blijven hangen en ze belangrijker lijken dan ze waren.”

Zoals?

„Die over de loonsverhoging van twintig procent voor de ABN Amro-topmannen in 2014. Dijsselbloem was minister van Financiën en de bank lag aan het staatsinfuus. Er zat wel een diepere gedachte in de column, wat is een bedrijf aan de samenleving verplicht, maar het was vooral: schande. Ik hoorde dat men bij de bank nog heeft gekeken of ik opriep tot een bankrun.”

Daar leek het ook best op.

„Ik schreef dat er misschien niets anders op zat dan dat we ons geld daar zouden weghalen. Het werd mijn meest gelezen column ever. Maar het was niet mijn beste.”

Welke wel?

Hij loopt naar de deur van zijn appartement, werd er nou geklopt? Maar er is niemand. Hij pakt zijn telefoon om weer een berichtje te sturen en vraagt aan mij: „Wat vroeg je?”

Welke columns vind je nog altijd goed?

„Dan moet ik eerst zeggen hoe ik begonnen ben, in 2001. Nederland was af, hoorde je in die jaren. We zouden opgaan in Europa, geen nationalisme meer. De koningin zei in elke speech waarom dat zo goed was, te beginnen bij ons, en economisch had het ook alleen maar voordelen. Ik dacht: wat is Nederland dan eigenlijk nog? Daar wilde ik het over gaan hebben. Het was een gerieflijke vraag toen. Er werd nog niet om de ziel van het land gevochten.”

Het was voor 11 september.

„En voor Pim Fortuyn. Mijn tweede thema was de vrijheid die we verworven hadden, hoe we daarmee omgingen. Als je zelf de lijnen mag trekken, niet de staat, waar trek je ze dan? Ook een gerieflijke vraag, toen nog. Toen brak de hel los. Fortuyn werd vermoord, Van Gogh werd vermoord. Mijn thema’s waren brisant geworden. En dat zijn ze nog steeds.”

Je bedoelt dat je dat goed had aangevoeld?

„Niet bewust, al was ik bij NRC wel de eerste die Fortuyn serieus nam als een kracht in het politieke spel.”

De mensen willen terug naar de jaren vijftig, nou, toen was het ook allemaal niet zo prettig hoor

Je thema’s zijn ook de thema’s van de populisten.

„Zij voelen aan dat mensen niet als economische entiteiten in een allesomvattend neoliberaal systeem gezien willen worden. Mensen hebben existentiële, zo je wilt romantische verlangens naar een wereld waarin ze meer zijn dan een verzameling data. Toen ik ging studeren zei ik tegen vrienden dat ik wel een kat wilde. Een kat? Waarom zou je je binden? Je moest je níét binden. Nu is het: we willen ons juist wél binden en we kunnen het niet meer, de samenleving is verkaveld en versnipperd. Die romantische verlangens komen denk ik voort uit dat onvermogen.”

Terug naar de jaren vijftig.

„Dat heb ik de afgelopen jaren veel gehoord in discussies, ook met hoge ambtenaren. De mensen willen terug naar de jaren vijftig, nou, toen was het ook allemaal niet zo prettig hoor. Je kunt ook zeggen: mensen zijn iets kwijtgeraakt, laten we bedenken hoe we ze dat kunnen teruggeven in een geglobaliseerde samenleving waarin iedereen met elkaar verbonden is en die door immigratie zeer divers is geworden. Terug naar de jaren vijftig kunnen we niet, die zogenaamde heelheid is een fantasie, wat Wilders of Baudet ook zeggen. Maar je moet wel oog hebben voor het verlangen naar gemeenschappelijkheid en er een nieuw verhaal tegenover zetten.

De meeste mensen zijn welvarender en optimistischer dan 25 jaar geleden en ze zeggen dat ze gelukkig zijn.

„Als het om hun eigen leven gaat.”

De aanhangers van het populisme zijn in de minderheid.

„Dat is de redenering van het establishment. Die aanhang wordt nooit groter dan twintig procent, dus weet je wat? We laten Klaas Dijkhoff af en toe iets heel ergs zeggen over de bijstand en vluchtelingen, en verder laten we het zitten. Vijftien jaar populisme heeft het establishment cynisch gemaakt, niet ongerust. Terwijl het populisme over de hele wereld groeit. Trump, Poetin, Erdogan, Orbán, en kijk naar Italië. Ik zeg niet dat het een verloren strijd is, maar wel dat het een strijd is. Wil je trouwens een stoel? Er staat een stoel in mijn werkkamer.” Hij kijkt om zich heen, naar de houten vloeren, de pas gewitte wanden. „Fijn appartement, vind je niet? De sfeer is fijn.”

Waarom wilde je in Parijs wonen?

Foto: Bart Koetsier

„Eigenlijk” – hij denkt even na – „weet ik het niet. Ik kan hier goed werken, meer rust, afstand. Al hield ik tot deze week alles wel heel goed bij, je kunt als columnist Twitter niet uitzetten. Of het kan wel, maar dan ben je een andere columnist.”

Maar waarom Parijs?

„Londen is me te druk en in Rome, waar ik ook gewoond heb, zou ik vereenzamen. Parijs is drie uur met de trein en Peter, mijn vriend, zal hier ook vaak zijn. Dat is wel de bedoeling. Hij is fluitist, hij heeft veel concerten in Nederland. Het slordige, het onthechte van de stad spreekt me aan. De verworden sfeer die Simenon zo meesterlijk beschrijft. De verlorenheid van Modiano’s personages. Het is een beetje een achtergebleven stad, al proberen ze onder Macron de aansluiting met de wereld weer te vinden. Dat ik hier een deel van het jaar wil wonen heeft te maken met waarom ik met de column wilde stoppen. Als je gaat samenvallen met je buitenkant, met wat mensen van je denken en verwachten, wordt het tijd voor nieuwe dingen. Ontsnappen aan wat ik heb verzameld en opgebouwd en me weer een beetje verloren voelen.”

Hoe is je Frans?

„Lezen gaat goed. Maar een conversatie, na twintig minuten ben ik doodmoe.”

Je was vaak heel somber in je columns, en in de televisieserie die je laatst voor de VPRO gemaakt hebt was je nog somberder.

Hij lacht. „Dat wordt vaker tegen me gezegd. Ik zou een pessimist zijn, een fatalist.”

Die ons waarschuwt dat het einde der tijden nabij is.

„Dat is onzin. Je overdrijft.”

Oké, dat er veel op het spel staat dan.

„Maar dat is ook zo. Bepaalde krachten en emoties die na de Tweede Wereldoorlog taboe waren zijn weer helemaal terug. We hebben Trump die door hem benoemde criminelen animals noemt, Orbán die om de maand roept dat de liberale democratie voorbij is, Salvini die wijken en straten wil ‘zuiveren’ van illegalen. Wat is de grote fout van de progressieve krachten die de idealen van de Verlichting uitdroegen? Dat we tot een verzameling cijfers gereduceerd zijn, dat alles pragmatisch en rationeel lijkt te zijn gemaakt. We wilden humanistische broederschap en we zijn uitgekomen bij gewetenloze globalisering. Dan krijg je dus een tegenreactie in de vorm van fantasieën over een wereld die nooit bestaan heeft, homogeen, met nationalistisch-religieuze waarden en normen, zonder immigranten. Het islamisme binnen de islam is ook een reactie op verlies aan eigenheid. Ik ben geen fatalist, maar ik zeg wel: neem het serieus. Het gaat niet weg als je blijft zeggen dat het best meevalt. Er zit ideologie achter, hartstocht. Als je in de idealen van de Verlichting gelooft, herijk die dan en probeer ze opnieuw vorm te geven. Erken dat mensen behoefte hebben aan binding, op wat voor manier dan ook. Incorporeer dat in het verhaal dat je tegenover het verhaal van de gesloten samenleving zet.”

Mensen hebben existentiële, zo je wilt romantische verlangens naar een wereld waarin ze meer zijn dan een verzameling data

Hij maakt nog een keer koffie en vertelt een parabel na van de Tsjechische schrijver Karel Capek. Er was eens een kip die graag midden op de weg zat. Elke dag om twaalf uur komt de bakkersauto voorbij en gaat ze even aan de kant. Verder komt er nooit een auto langs, dus de kip waant zich veilig. Op een dag denkt ze: het gaat altijd goed, weet je wat? Vandaag blijf ik zitten. En dan wordt ze doodgereden. „Als mensen zeggen dat ze optimistisch zijn, want er gaat toch zoveel goed, dan zeg ik: kijk naar wat jouw optimisme bedreigt. Hoe zinvol is het om tegenover het gedachtengoed van Trump en Poetin te zetten: maar de kindersterfte daalt? We hebben het homohuwelijk, zeker, maar in grote delen van de wereld wordt dat als een gruwelijke ontsporing gezien. Ik ben nog altijd een humanist, ik geloof in de mens, maar je moet die mens wel wantrouwen. Ik wantrouw mezelf net zo goed. Ik ben voor een humanisme met haar op de tanden, anders ben je weerloos tegen de krachten die je ondermijnen. Dan is het bloemetjes steken in de lopen van de geweren die op jou schieten.”

Lees ook het interview waarin Bas Heijne vertelt over wat hem heeft gevormd. ‘Ik hoop dat ik als beschouwer toch de blik van romancier heb behouden’

Om één uur gaan we naar buiten voor een wandeling van driehonderd meter naar een lunchroom, Rose Bakery. Hij bestelt ratatouille en vertelt over zijn ouders, beiden dood. Hij mist ze, eerst vooral zijn vader, meer en meer zijn moeder. Voor de VPRO-serie was er een filmpje van haar opgedoken uit begin jaren zeventig. Ze sprak zich uit tegen de uitbreiding van Schiphol, die er later toch kwam. „Ik was elf en ik had me achter de bank verstopt toen het werd opgenomen. Zo jong herinner ik me haar niet. Die manier van spreken, achteloos beginnen en dan ineens iets dodelijks, dat herken ik wel. Ik heb mijn jeugd gauw losgelaten, ik wilde vooruit, en daar was-ie ineens weer.”

Na het eten wandelen we nog een eindje en in de Rue du Faubourg Montmartre wijst hij naar de gevel van discotheek Le Palace. Daar kwam hij als jonge jongen met zijn blonde krullen. Le Palace, nu verlopen, was toen the place to be. „Ik schrijf nog altijd met dezelfde soort trashy muziek uit die tijd op mijn telefoon. Zonder lukt het niet.”

De bundel Hoe Hollands wil je het hebben? verschijnt dit weekend.
    • Jannetje Koelewijn