Recensie

De Alpine A110: een magistrale knuffelsportwagen

vindt de Alpine A110 een teder antwoord op de alomtegenwoordige vergroving.

De nieuwe Alpine A110. Foto Merlijn Doomernik

De voorheen voltooide geschiedenis van het merk Alpine begint als heldenepos en eindigt als Franse tragedie. Renault-dealer Jean Rédélé bouwt in 1955 op Renault-basis een eigen coupeetje, de A106. Na dat debuut volgt een A108, die evolueert tot de legendarische A110. Het roemruchte sportwagentje wint met een lichte glasfiber koets en kleine viercilinders achterin de ene rally na de andere, geholpen door een nadeel dat ervaren rijders in hun voordeel ombuigen; de theoretisch ongelukkig zware kont slingert hem eigenmachtig door onmogelijke bochten. In 1971 komt de opvolger, de A310, eerst met vier en dan met zes cilinders. Onder regie van Renault, dat Alpine in 1973 overneemt, volgen een Alpine GTA, V6 Turbo en de A610, die in 1995 zijn laatste adem uitblaast. Voor Alpines zijn ze te zwaar en te duur geworden. Mannen met geld verkiezen beter afgewerkte Porsches. Alpine verdwijnt, de geest van Rédélé leeft voort. Renault Sport blijft in de Alpine-fabriek in Dieppe sportieve auto’s bouwen.

In 2016 is er nieuws. Renault komt met een nieuwe A110. Er is besloten dat die Alpine weer het pad inslaat dat met de zware zescilinders is verlaten. Het wordt een lichte viercilinder naar het oerrecept, bijna. De nieuwe turbomotor verhuist voor een betere gewichtsverdeling naar vóór de achteras, de carrosserie wordt van aluminium. De auto zelf wordt groter, breder en zwaarder, maar 1.080 kilo blijft anorectisch weinig. Optisch imiteert de remake als twee druppels water de vermoorde onschuld van zijn voorganger. Zelfde guitige dubbele koplampen, zelfde silhouet, zelfde handelsmerk: geen zichtbare agressie. Hij is een teder antwoord op de alomtegenwoordige vergroving. Moge de tijd van knuffelige sportwagens herleven.

Lefgozerij

Van de originele 110 was ik verrukt; zo klein, zo snel, zo Frans lieftallig. Ik paste er alleen niet in, zo krap. De nieuwe is een retro-auto zonder retropijn. In de tot op het frame ontvelde kuipstoelen wordt een lange rit geen kruisweg. Rijden doet hij met 252 pk ontzaglijk snel. Lefgozerij die in de oude spel met vuur was, kan nu veilig en de besturing is geweldig. Alpine was zo verstandig in een schaarsbezette niche te duiken. Zijn enige concurrent, de Alfa Romeo 4C, legt het op alle wezenlijke punten af. De Alpine heeft meer vermogen en een betere rechtuitstabiliteit dan de extreem spoorgevoelige Alfa. De zeventraps automaat met dubbele koppeling is superieur aan de technisch vergelijkbare zesbak van de 4C. De Alpine biedt naast een minimum aan comfort enig zicht rondom, en bij dat alles is hij nog tienduizend euro goedkoper ook.

Nu maar hopen dat hij heel blijft. Alpine is een vurig merk ten goede en ten kwade. Ik weet het van een 110-eigenaar die me vertelde over een nipt gebluste motorbrand. Ik hoor Jaap van Zweden nog herinneringen ophalen aan zijn A310. Geweldige auto, maar wist ik dat die dingen zomaar in de fik vlogen? In januari van dit jaar vat een voorserie-Alpine met Top Gear-presentator Chris Harris vlam tijdens de rally van Monte Carlo. En nu sta ik met een vlamvast serie-exemplaar een uur lang in de file door een autobrand op de A28 die me zijn ultieme krachtproef in de schoot werpt.

Hij houdt het. De bak geeft geen kik. Hij is toch niet te goed geworden? Voor het echte moet zo’n retro-auto Russische roulette met je spelen, steeds een beetje dreigen te bezwijken aan zijn primitieve overmoed. Hij moet herrie maken, enge bijgeluiden produceren. Hij moet een onruststoker zijn. De betovering berust op de pseudo-authentieke onvoorspelbaarheid van een survivaltrip. Tegelijkertijd ligt daar het dilemma. Welke concessies is de consument van nu bereid te dulden van zo’n sportwagen? Hij wil wel 250 kunnen maar geen chassis dat de ingewanden uit zijn lijf schudt. Hij wil de houtjetouwtje-romantiek niet bezuren met verlies van airco, elektrische ramen en led-verlichting. Geregeld. Desondanks is hij net echt. Hoewel het multimediascherm en de Focal-hifi achterwege hadden mogen blijven, is een knap evenwicht gevonden tussen schraapzuchtig en gekleed, al had ik voor het sm-gevoel graag een dashboard horen kraken. Gelukkig flieberen de ruitenwisserbladen.

Wat als hij niet in de fik vliegt, maar de gewekte verwachtingen waarmaakt? Dan heeft Renault de mensheid een enorme dienst bewezen en was deze Alpine een magistrale slotnoot van het jachtseizoen.

    • Bas van Putten