Recensie

De belofte van de Beatrixmijn werd nooit werkelijkheid

Beatrixmijn

In de jaren vijftig was het gouden tijdperk van kolen nog lang niet voorbij. Toch ging de ‘modernste mijn van Europa’ nooit open.

De ‘modernste mijn van Europa’, de Beatrixmijn ging nooit open. Koningin Juliana bezocht de bouwwerkzaamheden van de mijn in 1956. Foto RHCL, fotocollectie Staatsmijnen/DSM

„Berkenrode wordt een echt mijndorp, en vermoedelijk wel het fraaiste dorp dat op deze aardbodem ligt.” Nee, van valse bescheidenheid hadden de makers van de plannen voor de bouw van een nieuw Limburgs modelplaatsje in de jaren vijftig van de vorige eeuw geen last. Waarom zouden ze ook? Prachtig ging het worden: met winkels, een katholieke en een protestantse kerk en maar liefst drie sportterreinen, omsloten door een glooiend boslandschap.

Schaamt u niet als u dit Berkenrode niet op een blinde kaart kunt aanwijzen. Het dorp kwam er namelijk nooit. Het bleef bij schetsen, ontwerptekeningen en het met paaltjes uitzetten van de percelen.

De bouw van Berkenrode werd nodig geacht vanwege de spoedig te openen Beatrixmijn. Die lag ver van de bestaande dorpen. Minstens zeshonderd personeelsleden moesten op maximaal twee kilometer komen te wonen om in geval van storingen of ongevallen de continuïteit en de veiligheid van het bedrijf te garanderen. Toen die hele onderneming niet doorging, sneuvelde ook de plannen voor Berkenrode.

Historicus Luc Wolters schreef Staatsmijn Beatrix. Gemiste kans of zegen?, het onlangs verschenen boek over het plan dat werd achterhaald door de geschiedenis. Terwijl de vooruitzichten aanvankelijk zo fraai waren.

Wolters, wandelend door wat nu nationaal park De Meinweg is: „Een mooie voorraad steenkool kon in een achtergebleven, agrarische hoek van Midden-Limburg dezelfde welvaart en modernisering teweegbrengen als eerder in Zuid-Limburg.”

De eerste mijnhype

Al in de jaren 1919-1925 was sprake van een eerste mijnhype. Slimmeriken kochten gronden, speculerend op de economische boom die werd verwacht. Zelfs een pater uit Vlodrop werd bevangen door de steenkolenkoorts. Hij droomde hardop over de toekomst van het dorp over enkele decennia met „de drukke en geplaveide straten en pleinen, langs kleine wolkenkrabbers, brede winkelstraatpuien en grootsteedse vitrines, over en kruisende tram- en spoorstaven”, dat alles verlicht door „hoge en fel-schitterende elektrische booglampen”.

„Maar in de jaren twintig had de Staatsmijnen nog genoeg aan de voorraden van de Emma, de Wilhelmina, de Hendrik en de Maurits in Zuid-Limburg”, vertelt Wolters. „Daarna zaten de economische crisis en de Tweede Wereldoorlog de plannen in de weg.”

In 1952 besloot de ministerraad alsnog tot realisatie. „Vanwege de voorraden die gewonnen konden worden, maar ook omdat de Beatrix een mooie technologische stap was op weg naar winning in de Peel, waar ook kolen waren gevonden. In Zuid-Limburg lagen die op twee-, driehonderd meter diepte. In Midden-Limburg op vijfhonderd meter diepte en onder zandsteenlagen drie keer zo hard als beton. De Beatrix zou de modernste mijn van Europa worden. Met de daar beproefde technieken moest het ook in de Peel, met steenkool op zevenhonderd meter diepte lukken.”

De gemeenten in de omgeving, Melick-Herkenbosch, Vlodrop, Posterholt en Sint Odiliënberg bereidden zich net als de regionale centrumstad Roermond voor op wat komen ging en legden alvast allerlei voorzieningen aan. Ondernemers investeerden in uitbreidingen van hun zaak. „De ontsluiting voor de mijn was nog behoorlijk ingewikkeld, omdat het gebied waarin die ligt voor 75 procent aan Duitsland grenst en maar voor 25 procent aan Nederland.”

Altijd al twijfels

De Staatsmijnen twijfelde eigenlijk altijd over de winstgevendheid van de Beatrixmijn. Eind jaren vijftig wilde ze al definitief stoppen met het project. Het Rijk had onder meer strategische overwegingen om door te willen gaan: Nederland moest wat betreft energie de eigen broek op kunnen houden in geval van nood.

Lees ook: De liefde voor de mijnen leeft ook ruim 50 jaar na de sluiting nog altijd voort in Limburg

Maar ondertussen groeide de buitenlandse concurrentie en daalden de prijzen, was de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS ) opgericht en vond Nederland aardgas in Groningen. In 1962 zette de regering-De Quay een streep door de plannen voor de Beatrix, feitelijk een voorbode voor de drie jaar later aangekondigde sluiting van de mijnen in Zuid-Limburg.

Wolters ziet parallellen tussen de gebeurtenissen van toen en de huidige energietransitie. „Bij dit soort processen is de geleidelijkheid vaak ver te zoeken. Alles gaat vaak schoksgewijs. Ter verdediging van het Rijk: het is voor overheden ook wel iets lastiger om terug te komen op eerder genomen beslissingen dan voor bedrijven. Het betekent politiek gezichtsverlies, maar het kan zelfs tot claims leiden.”

Over het antwoord op de vraag uit de ondertitel van het boek is Wolters helder: „Het niet doorgaan van de Beatrix was een zegen voor de Roerstreek. De ellende van de mijnsluitingen – korte tijd later – bleef de regio bespaard. Er kwam ondanks het schrappen van de mijn toch een goede ontsluiting en een terrein met andersoortige bedrijven, onder meer Rockwool. De dorpen en de stad Roermond voeren er wel bij. En De Meinweg kon De Meinweg blijven.”

Berkenrode is niet meer terug te vinden in het weldadig stille, achttien vierkante kilometer grote natuurgebied – inmiddels een nationaal park. DSM, opvolger van de Staatsmijnen, heeft wel nog altijd een omheining staan rond het terrein van de voormalige schachten. De natuur heeft er de macht overgenomen en overwoekert zelfs een groot deel van de afrastering. Door het groen is nog net een gebouwtje zichtbaar. „Misschien de voormalige portiersloge”, denkt Wolters.

    • Paul van der Steen