Recensie

Brünnhilde gaat kopje onder door overvloedige decibellen

Klassiek Sopraan Eva-Maria Westbroek zong Brünnhildes Schlussgesang uit Wagners Götterdämmerung met het Concertgebouworkest onder leiding van chef Daniele Gatti.

Foto Milagro Elstak

Een epische opera-tetralogie van zestien uur muziek eindig je niet met een vocaal niemendalletje. Richard Wagner sloot Götterdämmerung, het laatste deel van zijn Ring-cyclus, dan ook groots af met Brünnhildes Schlussgesang. Je zou het een twintig minuten durende stem-workout kunnen noemen, waarin de onverschrokken Brünnhilde hoogst dramatisch treurt om haar geliefde Siegfried en zich uiteindelijk bij hem op de brandstapel stort.

Op papier is het koren op de molen van sopraan Eva-Maria Westbroek die Wagners powernoten woensdag zong bij het Concertgebouworkest onder chef Daniele Gatti. Westbroeks stem - weelderig, krachtig, ruim vibrato - is geknipt voor het hoog romantische repertoire. Begin mei gaf ze bij de Berliner Philharmoniker nog haar visitekaartje af met een succesvolle Wesendonck Lieder.

Zie hier Westbroeks vertolking van Wagners ‘Wesendonck Lieder’.

Dat BrünnhildesSchlussgesang gisteren een stuk minder uit de verf kwam, had niets te maken met Westbroeks zangkwaliteiten. Des te meer met de overvloedige decibellen die een gretige Gatti ontketende.

In de zwaarder georkestreerde secties ging Westbroek dikwijls kopje onder. In de slanker geïnstrumenteerde passages bleek meteen haar klasse. Op het moment dat Brünnhilde blijkt te weten van Siegfrieds verraad („Alles weiss ich”) liet Westbroek van de weeromstuit iets breekbaars in haar stem sluipen.

Strijkers en harpers

In de instrumentale Ring-fragmenten die Gatti vooraf liet gaan, viel een en ander beter op z’n plek. In Einzug der Götter in Walhall blonk het koper majesteitelijk boven een wolkendek van strijkers en harpen. In Siegfrieds Rheinfahrt liet Gatti de contrapunctisch verknoopte leitmotiven machtig stuwen en stromen.

Voor de pauze dirigeerde hij Beethovens Tweede Symfonie uit het hoofd, met lef en ruimte voor spontane invallen. Binnen een in grote lijnen felle, strijdvaardige interpretatie leverde dat spannende momenten op. De inleiding kende fraaie contrasten tussen hoekig en legato. Het scherzo spatte van het podium met explosieve tutti’s en log klierende strijkers en pauken.

De keerzijde: braampjes op een toch al ruw gebolsterde klank, een wat fragmentarisch larghetto bij gebrek aan een dwingende architectonische lijn, en potsierlijke tempo-versnellingen die maakten dat de finale zichzelf in de slotmaten voorbij snelde.

    • Joep Christenhusz