‘Volksmuziek brengt ons terug naar wie we zijn’

Holland Festival In oosterse muziek klopt niet Beethoven aan de deur maar betreden luisteraars een wereld die al bestaat. Dat betogen de Armeense componist Levon Eskenian en de Syrische klarinettist Kinan Azmeh. „Elk werk weerspiegelt een leven.”

De Hamburgse Elbphilharmonie doet denken aan de luchtspiegeling van een oosters paleis, met zijn grillige versieringen en vormen, met het mozaïek van zijn wandplaten, gebleekte woestijnkleuren en de immense cirkel die als een volle maan boven het publiek hangt. Naar deze mysterieuze ronding klimt de klank, die daarna in fonteinstralen op de bezoekers neerdaalt. Deze avond weerkaatst hij onder meer de muziek van duduk, zourna en tmbuk van het Armeense Gurdjieff Ensemble. De tien volksmusici gaan in dialoog met het klassiek geschoolde Syrische viertal van Hewar.

Veel van de werken lijken de band tussen mens en natuur te bezingen. In de noten wordt een landschap of een dag geboren. „Oosterse muziek kent vaak geen helder begin”, zegt klarinettist Kinan Azmeh, voorman van Hewar. „We kloppen niet aan de deur zoals in Beethovens Vijfde Symfonie gebeurt, maar luisteraars betreden een wereld die al bestaat. Dat komt door de taqsim, de vrije improvisatie voor de inzet van het stuk: een musicus wekt de suggestie zijn instrument te stemmen of een toonsoort te zoeken. En voor je het weet, zitten we al in het verhaal.”

Levon Eskenian, de artistiek leider van het Gurdjieff Ensemble, herkent het principe. „De eerste noten van Armeense muziek zijn meestal meditatief en onbestemd. De volksmelodieën gaan over identiteit, over hoe bewoners zich verhouden tot hun landschap, in mijn land vooral de bergen. Daar proef je de contrasten: wilde ritmes tegenover verstilling. Daar leer je jezelf kennen. De moderne mens sleept zich vaak in een mechanische modus door de dag: de verbinding tussen zintuigen, gevoelens, geest en lichaam lijkt verbroken. Volksmuziek kan ons terugbrengen naar wie we zijn.”

Eskenian groeide op in de Armeense gemeenschap in de Libanese hoofdstad Beiroet. De eerste twaalf jaar van zijn leven kende hij alleen maar een land in burgeroorlog. Het Parijs van het Midden-Oosten lag in puin. Altijd klonken wel ergens schoten of ontploffingen. Soms ontvluchtte het gezin het geweld in de - toen nog - vredige Syrische stad Aleppo. Zijn moeder zong thuis de melodieën van Komitas, de priester-componist die door Armenië zwervend volksmuziek optekende en bewerkte; ze riepen heimwee op naar het onbekende land van zijn voorouders. Op zijn achttiende vertrok Eskenian daarheen om zijn pianostudie te vervolgen, en nooit meer om te kijken. Zijn eerste herinnering aan Armenië is het kraanwater. „Nooit dronk ik zoiets lekkers. Ik kon nauwelijks ophouden. Mijn dorst liet zich niet lessen.”

Opgeleid in de westerse klassieke stijl raakte hij in Jerevan verder in de ban van Komitas en begon hij diens pianomuziek - ontleend aan volksmelodieën - terug te vertalen naar de oorspronkelijke instrumenten.

Evenals Eskenian kreeg klarinettist Kinan Azmeh in Syrië een klassieke scholing. „Mijn jeugd was een tweestromenland. Mijn moeder hield van Arabische tonen, mijn vader van Bach en Mozart. In mijn vroegste herinnering zie ik hem thuis de luidsprekers dirigeren met op de draaitafel Moessorgski’s Een nacht op de kale berg. Hij wees naar de linker box, waar dan muziek vandaan kwam. En als kind geloofde ik dat de klank hem gehoorzaamde.”

Azmeh speelde in het Syrisch Symfonie Orkest, maar hij zocht al snel zijn eigen weg. Met Hewar beweegt hij zich op de grens van compositie en improvisatie. „We laten ons inspireren door alle tradities, zonder erdoor beperkt te worden.” Hij ervaart elk stuk als een cyclus. „Het tijdsverloop maakt muziek uniek. In een museum beslis ik zelf om een Rembrandt één minuut of een dag te bekijken. Een symfonie van Beethoven daarentegen dwingt me veertig minuten tot luisteren. Die ontstaat uit het niets, groeit en sterft. In die zin weerspiegelt elk werk een leven.”

    • Joost Galema