Filters met minuscule gaatjes voor plastic deeltjes kleiner dan een zandkorrel

Rivieren en zeeën zitten vol met plastic deeltjes. Nog niet zo veel dat het giftig is, maar dat lijkt een kwestie van tijd.

Plastic Pacific/Kim Preston

De deeltjes zijn zo klein dat je ze bijna niet kunt zien. Met honderden tegelijk liggen ze op een glazen schijfje ter grootte van een euromunt. Sommige lijken met het blote oog net felgekleurde zandkorrels, die toevallig op het glas zijn blijven plakken. De meeste worden pas zichtbaar zodra je het plaatje door een uiterst nauwkeurige microscoop bekijkt.

Met haar vinger wijst Svenja Mintenig, promovendus aan de Universiteit van Utrecht, naar een lichtblauw stipje, dat net iets groter is dan de rest. „Kijk”, zegt ze, „dat deeltje is van plastic”. Van de andere haartjes en schilfertjes op het glas kan ze dat pas met zekerheid zeggen zodra ze door de microscoop zijn geanalyseerd. Maar gemiddeld is ongeveer eenderde van de deeltjes op zo’n plaatje gemaakt van kunststof, weet Mintenig.

Al die deeltjes zijn afkomstig uit de Dommel. Mintenig en haar collega’s van de Universiteit Utrecht en Wageningen hebben ze in de omgeving van Eindhoven uit het water gevist. Dat hadden ze overigens net zo goed op een andere plek in het land kunnen doen, zegt de promovendus. Want minuscule plastic deeltjes zoals deze heb je overal: tussen het gras, in de lucht en op je pas gepoetste aanrechtblad.

De term voor dit soort stukjes is ‘microplastic’. Het zijn vezeltjes en snippertjes van 500 micrometer (0,5 millimeter) of nog kleiner. Ze ontstaan zodra plastic breekt, knapt of langs iets schuurt. Omdat kunststof niet of nauwelijks wordt afgebroken door de natuur, verdwijnen ze in principe niet. Wel kunnen ze opbreken in nóg kleinere deeltjes.

Dat microplastic kan overal vandaan komen: uit de grote stukken plastic die in zee drijven en tegen de rotsen slaan, maar ook uit een schip dat wordt gesloopt of van autobanden die slijten op het asfalt. In sommige producten wordt microplastic zelfs bewust toegevoegd, bijvoorbeeld in sommige scrubs en tandpasta’s, omdat de kleine deeltjes de huid en het gebit net iets grondiger reinigen.

Maar een van de belangrijkste bronnen van microplastic is kleding van synthetisch materiaal. Met name tijdens het wassen verliezen zulke kleren veel kleine haartjes en vezeltjes, die via de afvoer in het riool belanden. Van alle minuscule plastic deeltjes in de oceaan is meer dan eenderde afkomstig uit kleding, zo concludeerde de internationale unie voor natuurbescherming (IUCN) vorig jaar.

Plastic Pacific/Kim Preston

Hoeveel van die deeltjes precies uitvallen, is afhankelijk van het type materiaal. Onderzoekers testen dat door lapjes synthetische stof van 10 bij 10 centimeter in een maatbeker te wassen. Bij polyester en nylon komen dan ongeveer tien vezeltjes vrij, bleek uit een studie van de Universiteit van Göteborg. Bij fleece waren dat gemiddeld 1.100 deeltjes. Omgerekend naar een volledige fleecetrui zijn dat zo’n 110.000 deeltjes per wasbeurt.

Vissen vol plastic

Rioolwater wordt niet specifiek gefilterd op zulke deeltjes, zegt Hielke van der Spoel, beleidsadviseur bij Waterschap Rivierenland. Nederlandse zuiveringsinstallaties richten zich op groter afval, menselijke afscheiding, vet, fosfaat en stikstof. „Meer doen we niet, want anders wordt het zuiveringsproces te duur.”

Het zou goed kunnen dat een deel van alle microplastic in het rioolwater per toeval door de zuivering wordt verwijderd, zegt de beleidsadviseur. Dat ze bijvoorbeeld ingekapseld raken in slib en uit het water verdwijnen. Maar of dat zo is, valt volgens Van der Spoel niet met zekerheid te zeggen. Het ontbreekt volgens hem nog aan een beproefde methode om vast te stellen hoeveel microplastic er precies in water zit.

Aan zulke methodes wordt gewerkt door Svenja Mintenig en haar collega’s in Utrecht en Wageningen, in samenwerking met wateronderzoekinstituut KWR. Ook denken zij modellen uit waarmee ze iets kunnen zeggen over de hoeveelheid microplastic in de gehele rivier.

Die deeltjes komen ook terecht in vissen, mosselen en andere organismen. Onlangs nog stelden Ierse onderzoekers vast dat drie op de vier diepzeevissen microplastic in hun maag hadden. In 100 gram Britse mosselen werden gemiddeld 70 plastic deeltjes aangetroffen, concludeerden wetenschappers van de Universiteit van Hull deze maand.

Plastic Pacific/Kim Preston
Plastic Pacific/Kim Preston

De grote vraag is hoe schadelijk die deeltjes precies zijn. Vergiftigt al dat microplastic langzaam het leven in zee? Voorlopig niet, zegt hoogleraar Bart Koelmans, die in Wageningen het onderzoek naar microplastic leidt. Tot op heden zijn de concentraties plastic die in organismen worden aangetroffen nog te laag om echt van een probleem te spreken, zegt hij. „In ons vak geldt dat een stof zelf niet giftig is. Het is de dosis die dat bepaalt.” Het onderzoek richt zich daarom op de vraag op welke schaal microplastic voorkomt en vanaf welk punt dat effect heeft op de natuur. „Pas als die twee niveaus bij elkaar in de buurt liggen, is dat een probleem.”

Wat de zaak compliceert, is dat elk organisme een ander tolerantieniveau heeft en niet overal in zee evenveel microplastic voorkomt. „Op dit moment zijn er heel veel plekken waar de grens voor risico’s nu niet wordt overschreden. Maar er zijn ook plekken waar dat wel gebeurt. En dat zou een risico kunnen zijn.”

Tegelijkertijd zou microplastic wel een groot probleem kunnen wórden, meent de hoogleraar. „Als we er nu niets aan doen, neemt de hoeveelheid microplastic toe. En dan komen er ook steeds meer plekken bij waar de dosis gevaarlijk hoog ligt.”

Lees ook: Weg met plastic in laagjes: dat is niet te recyclen

Betere filters

Maar wat valt er te doen? Synthetische stof wint het in kleding steeds vaker van katoen of andere natuurlijke varianten. Naar schatting wordt bijna 60 procent van alle kleding gemaakt van een kunststofvezel. Voor een deel heeft dat te maken met de prijs, maar synthetische materiaal heeft ook andere voordelen: het droogt snel, gaat relatief lang mee, weegt weinig en houdt vaak langer de vorm vast.

Bovendien is katoen niet per se een milieubewuster alternatief. Om de grondstof te laten groeien die nodig is voor één katoenen T-shirt is ongeveer 2.700 liter water nodig. Bovendien wordt bij geen enkel gewas ter wereld zo veel insecticide gebruikt als bij de teelt van katoen: ongeveer een kwart van het totaal.

Beter is het om de uitstoot van kleine plastic deeltjes zo veel mogelijk te beperken. Een rioolwaterzuivering zou bijvoorbeeld prima nog een extra proces kunnen toevoegen, zegt Hielke van der Spoel van Waterschap Rivierenland. Denk aan een heel fijn filter. Maar voordat waterschappen die keuze maken, moet wel eerst duidelijk zijn of zo’n investering effect heeft.

Bij het drinkwaterbedrijf in Noord-Holland, PWN, gebruiken ze zulke filters al wel. Bij de zuiveringsinstallaties in Andijk en Nieuwegein zitten ze aan het begin van het proces. De gaatjes in zo’n filter zijn ongeveer 0,2 millimeter groot. De grotere deeltjes microplastic kunnen daar niet doorheen. Later volgt nog een zuivering door middel van membranen. Daarin zitten nog kleinere gaatjes.

Plastic Pacific/Kim Preston
Plastic Pacific/Kim Preston

Desondanks kan ook PWN niet met zekerheid zeggen dat de filters alle plastic deeltjes uit het water halen, zegt Ruud Steen, die voor het bedrijf watermonsters analyseert. „We verwáchten wel dat we die deeltjes met ons systeem eruit halen, maar we kunnen het niet garanderen.”

Fleece weggooien?

Ook in de kwaliteit van de kunststofvezels ligt volgens wetenschappers een oplossing. In Zweden, bij het onderzoeksinstituut Swerea, wordt momenteel uitgebreid getest welke synthetische stoffen veel kleine deeltjes uitstoten en welke minder. Bij dat project wordt samengewerkt met dertig bedrijven, waaronder kledingmerken zoals H&M en Fjällräven.

Een van de observaties tot dusver is dat fleece niet per definitie meer deeltjes uitstoot dan andere synthetische stoffen, zegt projectleider Christina Jönsson. Dat het materiaal in veel andere onderzoeken vaak zo slecht presteert, heeft volgens haar vooral te maken met de manier waarop fleece is behandeld.

„Fleece is een geweven materiaal dat vaak geborsteld wordt, zodat de vezeltjes een beetje omhoog gaan staan”, legt Jönsson uit. „Dat borstelen kun je op verschillende manieren doen en tijdens dat proces bepaal je eigenlijk hoe sterk de stof deeltjes uitstoot. Vooralsnog lijken er ook manieren van borstelen te zijn waarbij fleece nauwelijks afgeeft.”

Maar wat te doen met al die slecht geborstelde fleecetruien die nu nog in de kast hangen en een wolk van deeltjes verspreiden zodra je ze uitklopt? Kunnen we die beter weggooien? Absoluut niet, zegt Jönsson meteen. „Dat is de allerslechtste oplossing.” Want hoeveel plastic deeltjes er ook uit vallen, kledingstukken weggooien voor ze versleten zijn, is een nog veel grotere verspilling.

„Dat is ook de les van dit alles. Een doorsnee kledingstuk in Zweden wordt maar zes keer gedragen, maar is gemaakt om veel langer mee te gaan. Dus de energie die erin is gestoken halen we er bij lange na niet uit. Het grootste verschil maak je uiteindelijk door kleding te dragen. Koop wat je denkt te gaan dragen. En draag het dan.”

    • Joost Pijpker