De tuin van het Rijksmuseum kreeg een fundering voor zijn beelden

Buitenbeelden De beeldhouwer Eduardo Chillida hield van grote gebaren op de moeilijke plaatsen. Enkele van zijn duizenden kilo’s wegende beelden staan nu in de tuin van het Rijksmuseum.

Het beeld Arco de la Libertad (‘Vrijheidsboog’,1993). Foto’s Claude Gaspari, Johannes Schwartz

Vijf ton. Negen ton. Twintig ton. En, de allerzwaarste: zesenzestig ton. Waarmee maar gezegd is dat de beelden van de Baskische beeldhouwer Eduardo Chillida (1924-2002) niet licht zijn. Soms moeten musea ze weigeren, omdat de vloeren niet meer dan vijf ton kunnen torsen. In de tuinen van het Rijksmuseum in Amsterdam, waar acht Chillida-beelden staan opgesteld, zijn funderingen onder het gras gelegd om de gewichten te dragen. En ook voor de diepladers die met hun vrachtjes uit Bilbão en San Sebastian zijn komen rijden, moest een speciale plek gevonden worden: niet bovenop de parkeergarage die onder het Museumplein ligt, omdat het dak dan gevaar loopt te scheuren.

Ludo van Halem is conservator 20ste-eeuwse kunst bij het Rijksmuseum. Hij begeleidt de productie van de buitententoonstelling over Eduardo Chillida. De keuze voor de in totaal negen beelden (een haast frivole Hommage aan Calder, hangt binnen) is gemaakt door Alfred Pacquement, oud-directeur van het Centre Pompidou in Parijs. Van Halem begeleidt ook ons – een groepje journalisten – op een kleine Chillida-bedevaart door Baskenland. In de bus van Bilbão naar San Sebastian deelt hij een foto en een filmpje: „Kijk, terwijl wij over de Pyreneeën vlogen, werd in Amsterdam dit beeld op zijn plaats getakeld.” Het beeld is De tafel van Omar Khayyâm (1983) – een langwerpig, in arabesken opengesneden soort van platform dat in één keer goed moet staan. Iets naar links of rechts verschuiven zijn geen opties meer zodra de takelwagen is verdwenen.

Twee belangrijke doelen staan me op deze reis voor ogen, eigenlijk drie. Maar een bezoek aan Chillida’s fameuze betonnen reuzensculptuur Elogio del Horizonte (1989) in Gijón, vierhonderd kilometer westwaarts, is volgens Van Halem „onmogelijk” in het krappe reisschema te proppen. De ellips van beton die tien meter boven de grond staat, schijnt de bezoeker te omsluiten als een wieg, en hem te helpen om de horizon en de zee te omvatten. Jammer, want Chillida’s belangrijkste werken staan in de openbare ruimte, op plekken waar de elementen vrij spel hebben en waar de wisselwerking tussen omgeving, mens en beeld zo belangrijk is.

De beelden konden niet bovenop de parkeergarage onder het Museumplein, omdat het dak dan kon scheuren

Maar gelukkig zijn er twee grandioze alternatieven. Dat is Chillida’s allerberoemdste beeld: Peine del Viento (‘Windkam’, 1977), dat hij in vele varianten maakte, maar waarvan de beste op een rots in de baai van San Sebastian werd vastgeklonken. Een jonger en veel kleiner zusje van de ‘Windkam’ komt naar het Rijksmuseum. Daarnaast is er het sinds 2011 gesloten Museo Chillida Leku bij San Sebastian. Dit landschapspark van twintig hectare met een tot majestueuze tentoonstellingsruimte verbouwde 16de-eeuwse hoeve en een zomerverblijf, werd in 1983 door Chillida en zijn vrouw ontwikkeld tot een waar Chillida-paradijs. De beelden, het archief, de tekeningen, de hangende sculpturen en de kwetsbare blokken gebrande klei, vonden hier hun plaats. Het wachten is op een heropening.

Extreme plek

Luxueus alleen lopen we daarom over de grasvelden met zachte klaver, langs de beuken, de bloeiende acacia’s, de laurierbomen en de paardenkastanjes. Mikel Chillida, kleinzoon van de kunstenaar, gaat voor. Beelden uit alle werkfases van zijn grootvader staan buiten en binnen opgesteld. „Raak maar aan”, moedigt hij aan bij een kolossaal blok roze graniet. Lo Profundo es el Aire (‘Diep is de lucht’) heeft een bobbelige, groffe buitenkant, die in scherp contrast staat met de recht weggesneden en glad geveilde binnenkant. De steen ‘legen’ noemde Chillida dat. Lucht binnenlaten. Het binnenste van de steen ‘openbaren’. Iets dergelijks, maar dan op gigantische schaal, probeerde de kunstenaar (vergeefs) te doen in een berg op Fuerteventura, waarin hij een ruimte zo groot als een kathedraal wilde uithakken, met lichttunnels voor zon en maan.

De beeldhouwer zelf met zijn Homenaje a Calder (‘Eerbetoon aan Calder’, 1979). Foto’s Claude Gaspari, Johannes Schwartz

Na een korte carrière als keeper in het voetbalteam van San Sebastian, begint Chillida in 1943 halfhartig aan een studie architectuur in Madrid. Hij stopt in 1947 en vertrekt, zoals zoveel kunstenaars in die jaren, naar Parijs. Daar ontmoet hij Brancusi. In het Louvre maakt hij kennis met het ‘witte licht’ van de Cycladische en Griekse kunst. Maar het ‘zwarte licht’ van Baskenland blijft trekken, en dus keert hij in 1951 terug naar San Sebastian, om de stad nooit meer serieus te verlaten.

Hier zijn de smederijen waar hij zijn ijzer laat smelten, buigen, krullen en snijden. In Cantabrië staan de hoogovens die hij voor zijn allergrootste werken nodig heeft. Soms werken er wel vijftig Baskische smeden met hem samen aan een werk. Langs de baai van San Sebastian zoekt hij een slecht te bereiken rotsachtige punt, deels omspoeld door de zee. „Ik was op zoek naar iets extreems, op de grens van het mogelijke, op de grens waar materie ophoudt materie te zijn.”

Lees ook de cultuuragenda: wat is er deze zomer te doen?

Op die extreme plek plaatst hij zijn meest emblematische beeldengroep, Peine del Viento. Via een speciaal over de golven gebouwde spoorrails worden drie cortenstalen beelden van twee meter hoog en een gewicht van twaalf ton naar de rotsen in het water getransporteerd. De beelden – een soort krammen – kunnen zon, zee, zout en wind weerstaan maar verweren wel. Dat is mooi, want zo komt het materiaal tot leven, vindt Eduardo Chillida. De beelden steken uit, reiken naar de golven, terug naar het land en weer omhoog. Ze ‘kammen’ de wind, noemt de kunstenaar dat, vlak voordat die wind zijn geboortestad bereikt.

Occult

Zijn verknochtheid aan San Sebastian impliceert niet dat Chillida een lokale kunstenaar wordt. Vanaf zijn overgang in 1951 naar geometrische en soms verhalende abstractie vallen zijn beelden op. Zijn werk wordt op biënnales, Documenta’s en in belangrijke musea over de hele wereld getoond. Hij wordt overladen met prijzen en talrijk zijn de monumentale opdrachten voor prestigieuze publieke ruimtes in Duitsland, Frankrijk, Spanje (de mooiste), Scandinavië, Amerika, maar niet in Nederland.

Chillida’s geometrisch-abstracte werk spreekt zo sterk aan omdat het altijd een licht occulte inslag behoudt. Leegtes zijn bij Chillida ‘actief’. Materie en ruimte ‘spreken met elkaar’. Tegenstellingen zijn er om opgeheven of symbolisch overwonnen te worden. Hoeken zijn ‘verdraagzaam’ (namelijk nooit precies 90 graden). En een werk mag nooit ‘doorgeboren’ zijn, waarmee hij bedoelt dat werk niet van tevoren mag worden uitgedacht.

Zijn beste werk is eenvoudig in vorm en doet denken aan runentekens, aan letters uit een vergeten schrift. De stalen ruimtes die hij maakt zijn zowel open als gesloten, ze omarmen je en richten je blik op een horizon. De als scharnieren in elkaar klikkende blokken graniet en gebrande klei zien eruit als prehistorische schatkisten met een cijfercode die niet te kraken is.

Peine del Viento (‘Windkam’, 1977). Foto’s Claude Gaspari, Johannes Schwartz

In Chillida Leku staan veel van dit soort topwerken. Een daarvan is het allergrootste werk dat Chillida ooit realiseerde. We lopen de heuvel op naar Lotura XXII (1998). Het is een enorme op een T-sokkel staande knoop van gecorrodeerd cortenstaal. Dit is de zesenzestig-tonner die nog nooit van zijn plaats is geweest.

Mikel Chillida legt uit hoe de knoop die rondom één hangende kant van de T is gevormd, ontstond. „Het staal is verhit tot 1.200 graden: dan kan je het vijf centimeter buigen. Vijf centimeter, niet meer, want dat breekt het staal.” Volgt een periode van afkoeling van vijf dagen, daarna opnieuw verhitting, opnieuw vijf centimeter buiging. Het is een eindeloos proces. Geduld is ervoor nodig. Doorzettingskracht. Geloof in de beloften van het materiaal. En ten slotte klopt het: Lotura ziet er lichtvoetig uit en zo buigzaam als trekdrop. De gekromde strengen staal aan de punt van de T lijken er nonchalant opgegooid. Neergevallen als een blad van de boom.

Eduardo Chillida in het Rijksmuseum is t/m 23 sept (gratis) te bezoeken. De tuinen van het museum zijn geopend van 10-18u. Inl: rijksmuseum.nl Het Chillida-Leku Museum in Hernani is gesloten. Voor inl: museochillidaleku.com
    • Lucette ter Borg