Opinie

    • Frits Abrahams

Alleen aan dekbij ’t roer

Over moeders kan niet genoeg geschreven worden, vind ik. Oude moeders, ouderwetse moeders, nieuwe moeders, nieuwerwetse moeders – het maakt niet uit, als er maar goed over hen geschreven wordt. Want het is een prachtig en belangrijk onderwerp. (Vaders trouwens ook, maar dat is een ander verhaal dat bovendien vaker geschreven is.)

Een moeilijk onderwerp ook. Doris Lessing schrijft aan het einde van haar essay Impertinent Daughters (Granta, 1984): „Schrijven over mijn moeder is moeilijk. Ik loop steeds tegen grenzen op, en die zijn nu niet veel anders dan toen. […] Wat een vreselijk leven leidde ze, mijn arme moeder! Toch was het niet erger dan dat van mijn vader, en dat is juist het punt: hij was van nature uitgerust voor zware tijden, maar zij niet. Hij is misschien een beschadigde, steeds ziekere man geweest; zij was sterk en vol vitaliteit. Toch heb ik meer met haar te doen dan met hem. Zij heeft nooit begrepen wat er met haar gebeurde.”

Juist omdat het zo’n gecompliceerd onderwerp is – misschien wel gecompliceerder dan ooit – is het de moeite waard om er uitgebreid over te schrijven. Daarom kan ik de verontwaardiging over het thema ‘De moeder de vrouw’, gekozen door de CPNB voor de Boekenweek 2019, in dit opzicht niet goed begrijpen. De vrouw wordt door die keuze geïdentificeerd met de moeder, en niet bijvoorbeeld met de huisarts of de postbode, klagen de ongeveer driehonderd ondertekenaars in hun protestbrief.

Die identificatie met het moederschap zou ‘oneigentijds’ zijn, lees ik in NRC. Hoezo? Waar staat dat vrouwen zich niet meer mogen identificeren met hun moederschap? Sinds wanneer is dat uit de tijd? Ik zie, zeker in Nederland, nog steeds veel vrouwen, ook hoogopgeleide, die zich minstens zoveel met hun moederschap identificeren als met hun werk; zij kiezen zonder veel morren voor een deeltijdbaan.

Dat kan uit het oogpunt van emancipatie betreurd worden, het is wel de realiteit. En zolang mannen niet bereid zijn een gelijk aandeel in de opvoeding en de huishouding te nemen, mogen we blij zijn dat er zulke vrouwen zijn.

Ja, je zou dat zelfs in zekere zin sterke vrouwen kunnen noemen, het type vrouw dus dat de CPNB centraal wilde stellen in haar promotiecampagne. Daarom ook verbond de CPNB dit thema aan de titel van een gedicht van Nijhoff: ‘De moeder de vrouw’. „Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer”, dichtte Nijhoff. De man, de vader dus, is afwezig, zoals wel vaker. Nijhoff schept een treffend beeld van een vrouw die wél haar verantwoordelijkheid neemt.

Steekhoudender is voor mij het bezwaar van de driehonderd ondertekenaars tegen de keuze van de CPNB voor twee mannelijke auteurs, een voor het Boekenweekgeschenk en een voor het Boekenweekessay. „Het voelt als een provocatie”, zei Manon Uphoff, een van de initiatiefnemers van het protest. Ik zie eerder onhandigheid dan kwade trouw. Maar het is wel érg onhandig en tactloos. Zou er voor ten minste één vrouwelijke auteur gekozen zijn, dan was vermoedelijk ook het protest tegen het gekozen thema zwakker geweest, misschien zelfs zo zwak dat er helemaal geen petitie was gekomen.

Bovendien, Siebelink en Isik mogen gereputeerde auteurs zijn, er zijn in Nederland genoeg schrijfsters die niet voor hen onderdoen.

    • Frits Abrahams