Verstrikt in het web van God

Ingmar Bergman 100 jaar Als zoon van een dominee worstelde Ingmar Bergman in zijn films uitvoerig met God. Helemaal vrij van religie kwam de regisseur, die dit jaar 100 zou zijn geworden, nooit.

In Bergmans ‘Als in een donkere spiegel’ wordt de schizofrene Karin (Harriet Andersson) gekweld door haar verlangen naar God.

Zelf vond Ingmar Bergman de vraag of hij wel of niet in God geloofde niet zo bijster relevant. Dat hij zich als filmmaker diepgaand met religieuze vragen heeft beziggehouden, is evident. Wat hij daarnaast allemaal als persoon geloofde deed er volgens hem niet zoveel toe. Maar zo simpel zijn persoon en kunstenaar niet van elkaar te scheiden. Als zijn films niet zo persoonlijk voor hem waren, hadden ze nooit zoveel zeggingskracht kunnen hebben.

De ontwikkeling van Bergmans werk houdt op het eerste gezicht vrij nauwkeurig gelijke tred met de na-oorlogse secularisatie van Europa. Bergmans langdurige, gecompliceerde afrekening met zijn religieuze opvoeding maakte zijn films herkenbaar voor generaties filmkijkers.

Als zoon van een lutherse dominee kwam Bergman in opstand tegen het gezag van zijn strenge vader en de angstwekkende God van zijn jeugd. God de vader en Bergmans eigen vader zijn daarbij soms lastig uit elkaar te houden. „Ik haatte God en Jezus, vooral Jezus met zijn weerzinwekkende manier van spreken, zijn halfzachte communie en zijn bloed”, schrijft Bergman over zijn jeugd in zijn autobiografie Laterna magica (1987). „God bestond niet. Niemand kon bewijzen dat Hij bestond. Als Hij bestond was hij overduidelijk een afgrijselijke God, kleinzielig, rancuneus en vooringenomen. Ze mochten Hem houden!”

In De gevangenis (1949), zijn eerste film naar een eigen, oorspronkelijk scenario, meldt een voormalig wiskundeleraar van een jonge filmregisseur zich op de set. De man is zojuist ontslagen uit een psychiatrische kliniek en hij heeft een idee voor een film: wat als de wereld al lang is overgenomen door de duivel, zonder dat mensen dat zelf doorhebben? Zou dat niet een geweldige film kunnen opleveren? Die film krijgt de kijker vervolgens te zien.

Internationaal brak Bergman door met Het zevende zegel (1957). Daarin eist ridder Antonius Block tijdens zijn fameuze schaakspel met De Dood antwoord op zijn meest prangende vragen: bestaat God? Is er leven na de dood? „Ik wil kennis, geen geloof, geen veronderstellingen, maar kennis. Ik wil dat God zijn hand naar me uitstrekt, zich onthult en tegen me spreekt.” De antwoorden van De Dood zijn niet bemoedigend. De ridder moet er ernstig rekening mee houden dat er niets zal komen na de dood. Block, vertwijfeld: „Maar dan is het leven een schandalige verschrikking!”

Afpellen van religie

Bergmans worsteling met religie bereikte een hoogtepunt in de ijzersterke films die hij na 1960 maakte; films die hij achteraf bestempelde tot een trilogie. In Als in een donkere spiegel (1961) wordt de schizofrene Karin (Harriet Andersson) gekweld door haar verlangen naar God. Hij verschijnt uiteindelijk aan haar in een visioen als een gruwelijke spin. Dat leidt tot haar ineenstorting. Ze zal de rest van haar leven moeten slijten in een psychiatrische kliniek. Toch is er nog een sprankje hoop. In de laatste monoloog laat Bergman haar vader, David, betogen dat God liefde is: onbaatzuchtige liefde. Die bestaat wél, tenminste tussen mensen.

Maar in het daaropvolgende De avondmaalsgasten (1963) slaat ook de twijfel aan de God van de liefde toe bij dominee Tomas (Gunnar Björnstrand). Na het overlijden van zijn vrouw is hij God diep gaan haten. Uiteindelijk rest in De grote stilte (1963) uitsluitend nog de zinloze worsteling tussen de tegenstrijdige behoeften van lichaam en geest. Dat conflict wordt gesymboliseerd door twee zusters (Ingrid Thulin en Gunnel Lindblom), die zijn gestrand in een vreemde stad waar ze de taal niet spreken.

Met die trilogie, die hij zelf typeerde als zijn ‘metafysische reductie’, had Bergman theologen voor jaren werk bezorgd. Maar zelf was hij er naar eigen zeggen klaar mee. Tegen elke interviewer die het wilde horen verklaarde hij dat hij zich met zijn films eindelijk had ontworsteld aan zijn religieuze complexen. Voortaan zou hij zich gaan richten op aardse problemen. Liefde en heiligheid bestaan weliswaar, maar uitsluitend in verhoudingen tussen mensen.

Lees ook de eerdere afleveringen van deze korte serie over Ingmar Bergman: Bergman wilde controle over zijn ‘muzen’ en Waarom Bergman de beste blijft

Zijn kunst maakte hij eigenlijk alleen nog uit een ‘dwangmatige neiging’ om aan de slag te blijven en natuurlijk om zijn brood te verdienen. De hedendaagse functie van kunst was volgens Bergman te vergelijken met de afgestroopte huid van een slang die is gevuld met mieren. „De slang zelf is al lang dood, van binnen leeggeten, ontdaan van gif; maar de huid is nog in beweging, gevuld met bedrijvig leven.”

Prima. De vrijgemaakte Bergman kon zonder illusies leven. Maar dat lijken evenzeer bezweringsformules te zijn geweest als adequate beschrijvingen van wat zich afspeelde in zijn geest. Bergman had nooit de illusie dat met secularisatie een nieuw tijdperk zou aanbreken van gelukzalige levensgenieters. Zonder groot, zinvol verband wankelt alles: kunst, liefde, het vermogen om te communiceren, het onderscheid tussen goed en kwaad. Zijn noeste zelfonderzoek leidde bij de overwerkte Bergman midden jaren zestig tot een psychische en existentiële crisis. Die crisis resulteerde vervolgens weer in een reeks schitterende, inktzwarte films, zoals Persona (1966), Het uur van de wolf (1968), Schaamte (ook 1968) en Het ritueel (1969).

Verlangen naar een patroon

Begin jaren zeventig herpakte hij zich en – veelzeggend – begon christelijke symboliek weer een grotere rol te spelen in zijn werk. Dat geldt al voor de Christus-achtige figuur van Agnes in Geschreeuw en gefluister (1972). Agnes sterft maar kan geen afscheid nemen van haar afstandelijke, liefdeloze zusters; ze blijft steken tussen leven en dood. Daarnaast maakte Bergman vele films waaruit religieuze thema’s inderdaad zijn verdwenen. Maar een stel als Johan en Marianne, dat in Scènes uit een huwelijk (1973) leert leven met nuchtere compromissen en halve waarheden, benaderde hij met milde, maar onmiskenbare ironie.

Zijn verlangen naar ‘zin, patroon, een ogenblik van genade’ raakte Bergman nooit volledig kwijt. In Laterna magica noteerde hij: „Ik geloof niet in God, ik weet het, maar de zaken liggen niet zo simpel. We dragen allemaal God in ons mee. Alles is onderdeel van een patroon waarvan we incidenteel een glimp opvangen, vooral op het moment van sterven.”

Toen haar vader al in de tachtig was, begon Bergmans dochter Linn Ullman gesprekken met hem op te nemen, die terechtkwamen in haar boek De rustelozen (2015). Bergmans woede en twijfel waren naar eigen zeggen verdwenen. „Voor zaken als scepsis en ongeloof heb ik geen energie meer.” Onomwonden verklaarde Bergman tegenover zijn dochter: „Ik geloof in God, zonder voorbehoud, maar dat wil nog niet zeggen dat ik Zijn wil begrijp.”

Dit is het laatste deel in een korte serie n.a.v. de 100ste geboortedag van Ingmar Bergman.
    • Peter de Bruijn