Opinie

    • Maxim Februari

In de deelmaatschappij verdwijnt het tijdsbesef

Met grote regelmaat denk ik aan een uitspraak van Connie Palmen over Marilyn Monroe. Anderhalf jaar geleden opende Palmen een biografische tentoonstelling met persoonlijke bezittingen van Monroe in de Nieuwe Kerk van Amsterdam. Op de televisie legde ze uit waarom. „Spullen hebben iets heel ontroerends. Als je ooit het huis van je ouders hebt moeten leegmaken of het huis van een geliefde die gestorven is, dan weet je hoe diep ontroerend spulletjes zijn. Ik weet niet of ik in huilen ga uitbarsten bij een oogpotlood, maar het kan zomaar gebeuren, het kan zomaar gebeuren.”

Zo is het. In oogpotloden en theekopjes zie je werelden die op het punt staan te vergaan, eeuwen die achterblijven in de geschiedenis. Ze ijlen nog na in de spullen, voordat ook die kapotvallen of sleets raken, vermolmen, op de mesthoop belanden. Niets brengt de vergankelijkheid zo dichtbij als een nagelaten knopendoos, een aardappelschilmesje.

In feite zijn die messen en kopjes niet minder dan cultuurdragers. Ze verbinden je met de tijdperken die achter je liggen. Er is een theorie die zegt dat je überhaupt in het tijdperk van je ouders leeft, altijd een generatie achteruit. Je neemt hun verhalen over en hun geschiedenis, hun inrichting en de stijl waarin ze zijn opgegroeid. Daarnaast heb je lange tijd als jonge generatie ook nog eens de hele inboedel zelf overgenomen, het servies van je grootouders, de eetkamerstoelen die een oom van zijn eigen overgrootouders erfde.

Maar met de vergrijzing, het kleiner worden van gezinnen en het daarmee gepaard gaande overaanbod aan nalatenschappen, gaan spullen niet langer over op de volgende generaties – antiek raakt uit de mode.

Zo komt het dat iedereen de laatste decennia alles nieuw heeft gekocht, en wel zo uitbundig en overvloedig dat van de weeromstuit nu weer behoefte ontstaat aan ontspullen. Uiteindelijk raken dus zelfs de allernieuwste spullen uit de mode. Sterker nog, het concept van spullen zelf verdwijnt in de geschiedenis. In de eenentwintigste eeuw zijn er ideologische redenen om niet langer bezit te vergaren, maar alle dingen die je nodig hebt te huren. Te delen. De economie moet circulair worden, de planeet geeft grenzen aan, groei dient gestopt.

Dat bedenk ik allemaal terwijl ik staar naar een ingelegd houten doosje dat voor me op tafel staat. Er zit een handtekeningstempel in en een strookje papier met drie manchetknopen. Verder een nota van ‘verzilverde coupons’ uit 1948, een ‘nota van salarissen en verschotten’ uit 1947 ten bedrage van vierentwintig gulden ‘voor boedelkosten betreffende de nalatenschap van wijlen Uwe echtgenoote’, een oorlogscent uit 1943, een 6-pence-muntstuk uit 1933 met de beeltenis van koning George V en een Amerikaanse dollarcent uit 1940, In God We Trust.

De man die dit allemaal heeft verzameld, heb ik nooit ontmoet, maar ik ken zijn geschiedenis en voor mijn geestesoog rijst hij op uit zijn spullen. Ik heb de brieven gelezen waaronder de handtekeningstempel is gezet en ik ken de verhalen rondom wijlen zijn echtgenote. Maar wie zal alle brieven en verhalen nog kennen als ik er ooit niet meer ben? Wat moet ik met deze dingen? De verantwoordelijkheid weegt zwaar: als ik de manchetknopen teloor laat gaan, is de man zelf ook verdwenen. En daarmee een deel van mijn eigen innerlijk leven.

Er valt best veel te zeggen voor het bezitloze scenario dat ons in dit decennium wordt aanbevolen. Je recyclet, je legt bezoeken af aan de milieustraat, je brengt weg, je krimpt en je leent. Maar de droevige kant van al dat delen is dat de vergankelijkheid, of althans het besef ervan, in zo’n bezitloos bestaan lijkt te verdwijnen. Een generatie die opgroeit tussen ruïnes en oude spullen heeft een andere band met de geschiedenis dan een generatie die opgroeit tussen opgeknapte steden, geïsoleerde huizen en apparaten die bestaan uit hergebruikte onderdelen. In ruil voor vooruitgang is het de weemoed die verloren gaat.

Niettemin zullen een paar spullen, de allerpersoonlijkste, de ondeelbare, hun rol wel blijven opeisen in het nieuwste scenario. Handtekeningstempels. Tandenborstels. Ooit, in mijn jonge jaren, zag ik een gesprek met een vrouw wier man was gestorven. Ze had hem na een hartaanval in allerijl naar het ziekenhuis gebracht, maar hij was niet meer te redden, en een paar uur later was ze alweer thuis. Daar stonden de spullen nog precies zoals ze ze hadden achtergelaten, zei ze. „Zijn tandenborstel was nog nat …” Een indringender beeld van de vergankelijkheid ben ik daarna niet meer tegengekomen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari