De eenzame strijd van een klokkenluider bij Justitie

WODC-affaire

Directeur Frans Leeuw wilde een WODC dat de minister niet in problemen zou brengen. Zijn personeel wilde onafhankelijk onderzoek. Dat botste.

De ministeries van Justitie & Veiligheid (links) en Binnenlandse Zaken. Het onderzoeksinstituut WODC huist in het gebouw van Justitie. Foto Berlinda van Dam / Hollandse Hoogte

Het ministerie van Justitie en Veiligheid liet meldingen over manipulatie van wetenschappelijk onderzoek jarenlang in een la liggen. Dat blijkt uit een eerste onderzoek naar de ‘WODC-affaire’. Er volgen nog twee onderzoeken, maar het beeld dat oprijst uit interne mails en verklaringen is nu al duidelijk. Het ministerie had onder minister Ivo Opstelten (VVD) weinig op met „onafhankelijk onderzoek” en liet klokkenluiders in de kou staan. Reconstructie op basis van dit rapport en achtergrondgesprekken.

Deel 1: Onderzoek prima, zolang het Opstelten maar helpt

„De maat is helemaal vol”, briest drugsonderzoeker Marianne van Ooyen op 21 mei 2013 tegenover de directeur en de onderdirecteur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), het onderzoeksinstituut van (toen nog) het ministerie van Veiligheid en Justitie. „Opstelten bekijkt het ook maar.”

Van Ooyen is expert bij het WODC op het gebied van het Nederlandse (soft)drugsbeleid en zit tegen haar pensioen aan. Ze onderzoekt en publiceert al jaren over drugs en criminaliteit. Zo ook over de wietpas, de verplichte registratie van klanten van coffeeshops in Zuid-Nederland.

Zo’n pas zou volgens Ivo Opstelten, de ervaren VVD’er die het ministerie leidt, nodig zijn om overlast van coffeeshops te verminderen. Die overlast is veel te groot, zegt hij al tijden tegen de Tweede Kamer. Hij pleit dan ook al jaren voor een repressiever wietbeleid.

Als het WODC in die periode onderzoekt hoe het zogeheten achterdeurbeleid van Nederlandse coffeeshops werkt, zijn de politieke belangen dus groot. „De Minister had slechts één opmerking: ‘er moet wel sturing op zitten’”, mailt een beleidsambtenaar aan Van Ooyen na afloop van een bespreking met Opstelten. „Het moet niet zo zijn dat er ineens iets totaal anders uit komt dan tot nu toe gecommuniceerd aan de Tweede Kamer.”

De interne mails van het ministerie staan in het dinsdag gepresenteerde rapport van Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht en kroonlid van de SER. Hij beschrijft hoe het departement en het WODC zijn omgegaan met Marianne van Ooyen. Zij is de spil van de ‘WODC-affaire’: de mogelijke manipulatie van op papier onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek door Justitieambtenaren en politici.

Formeel gaat Verhulp alleen in op Van Ooyens behandeling als klokkenluider. Maar in zijn onderzoek neemt hij een voorschot op twee rapporten die later dit jaar verschijnen, over politiek gevoelige vragen als: is er echt gemanipuleerd, door wie dan en wie dekte dat toe?

Het begin van de affaire ligt in 2013. Van Ooyen steggelt dan over een door het ministerie besteld onderzoek naar de wietpas (werktitel: New Rules, No Drugs). Het voornaamste twistpunt: de gemeenten die zij onderzoekt vinden de pas een voorbeeld van beleid gericht op een „niet bestaand probleem.” De overlast zou helemaal niet zo groot zijn als Opstelten telkens beweert, als legitimatie van zijn repressieve beleid. Die cruciale bevinding wil Van Ooyen in het rapport opnemen.

Maar het ministerie wil geen gedonder, mailt een topambtenaar. „Als het rapport zo blijft moeten we onnodig en heel snel in de verdediging. Dan zal de minister zeker in de Tweede Kamer moeten gaan uitleggen wat er precies is bedoeld en hoe het zat. Door kleine aanpassingen […] kunnen we dit voorkomen.”

Lees ook: ‘Manipulatie onderzoek is gebruikelijk’

Deel 2: Frans Leeuw, directeur van het WODC, bemoeit zich ermee

Het WODC heeft geen makkelijke positie. Zijn medewerkers, wetenschappelijke onderzoekers die vaak ook verbonden zijn aan universiteiten, hebben onafhankelijkheid hoog in het vaandel. Maar het instituut is tegelijk huisonderzoeker van het ministerie, met al zijn belangen en wensen. Zo houdt het WODC kantoor op de veertiende etage van het departement aan de Haagse Turfmarkt.

Aan professor Frans Leeuw de taak te laveren tussen deze uitersten. De ervaren ambtenaar en onderzoeker – hij werkte lang voor de Universiteit Leiden en de Algemene Rekenkamer – is sinds 2003 directeur. Hij heeft van het WODC een „klantgericht justitieel kenniscentrum” gemaakt. Vooral bij „beleidsgevoelige” onderzoeken zit Leeuw er bovenop. Met harde hand, vindt een deel van het personeel. Hij zou soms onhebbelijk zijn en niet schuwen onderzoeksresultaten bij te schaven als de politieke realiteit daar om vraagt.

Begin 2013 lijkt het alsof Leeuw partij kiest voor zijn drugsonderzoeker. „HET WODC IS GEEN ZETBAAS VAN BELEIDSPEOPLE”, mailt hij in hoofdletters aan Van Ooyen nadat zij haar beklag heeft gedaan over politieke inmenging in het wietonderzoek. Maar kort daarna begint hij te schuiven. Hij kan niet anders, mailt hij later. „Er kan gedoe komen tot in de Kamer.” En: „Dit IS natuurlijk een gruwelijk hot dossier.”

„Ik ga de gegevens [over de gemeenten, red.] niet deleten”, schrijft hij aan Van Ooyen, maar het rapport over de wietpas moet ook niet als „out of the blue kritiek op het regeerakkoord” worden verwoord, waarschuwt hij. Dat is tegen het zere been van Van Ooyen, die probeert haar resultaten overeind te houden maar steeds meer onder druk komt. Leeuw „sleept alles erbij en dreigt tegen het plafond te vliegen,” mailt ze een collega.

Op 14 juni 2013 botsen Leeuw en Van Ooyen openlijk, over de samenvattende tekst van het wietpas-onderzoek. Leeuw wil die zó herschrijven dat die geen aanleiding kan geven tot politieke ophef. Van Ooyen ontploft. Collega’s kunnen het geschreeuw van directeur en onderzoeker horen. „Dit wordt zo langzamerhand een mooie casus voor de integriteitscommissie van de KNAW [Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen],” horen zij Van Ooyen tegen Leeuw roepen.

Verdraaiing van feiten is eerder regel dan uitzondering als het gaat over wiet, schreef NRC in 2015. Lees het artikel De feiten zijn geheel naar wens.

Deel 3: Het ministerie heeft andere zorgen dan de klokkenluider

Rond de Kerst van 2013 krijgt Van Ooyen psychosomatische klachten. Ze voelt zich genegeerd door Leeuw en belandt – via de huisarts – bij de vertrouwenspersoon van het ministerie. Die raadt haar aan „haar klachten van zich af te schrijven”. Dat resulteert in een emotionele, zes kantjes lange brief.

De vertrouwenspersoon probeert de aanklacht onder de aandacht van het ministerie te brengen, maar dat lukt niet – onder meer omdat Van Ooyen niet wil dat bekend wordt dat zij de brief heeft geschreven. Wel laat Van Ooyen in de maanden daarna de brief aan diverse collega’s lezen die ook problemen hebben met Leeuw. Haar onvrede draagt ze bij zich tot aan haar pensioen, begin vorig jaar.

In de jaren tussen de brief en haar pensionering heeft het departement andere zorgen dan haar melding. De affaire rond de Teevendeal bereikt begin 2015 haar (voorlopige) hoogtepunt. Ivo Opstelten treedt af nadat is gebleken dat hij de Tweede Kamer verkeerd heeft geïnformeerd over het bonnetje van een deal die toenmalig officier van justitie Fred Teeven – dan voor de VVD staatssecretaris op het ministerie – sloot met een topcrimineel. Ook Pieter Cloo, de door Opstelten aangestelde hoogste ambtenaar van het departement, vertrekt. Het ministerie is „in zichzelf gekeerd” en vooral bezig met zijn eigen imago, klinkt het in Den Haag.

Aan Siebe Riedstra de taak om het ministerie te hervormen en het vertrouwen te herstellen – van de buitenwereld in het ministerie, en van ambtenaren in elkaar. Op zijn eerste werkdag als secretaris-generaal roept hij, tijdens een toespraak in de kantine van het departement, medewerkers op problemen te melden. Nieuwe én oude.

Zo komen de meldingen over het WODC op zijn bureau. Naast Van Ooyen blijken nog twee medewerkers bij de vertrouwenspersoon te hebben geklaagd over Leeuw, die „hen onheus bejegent” en „eisen stelt aan rapportages waardoor de wetenschappelijke integriteit van de melders en het WODC wordt aangetast”.

Hierop roept Riedstra Leeuw bij zich. Hij spreekt hem „stevig aan op zijn gedrag” en vraagt Leeuw diens „manier van bejegening te bespreken met de afdelingen en medewerkers”. Verder maakt Riedstra afspraken met Leeuw „over de datum van zijn pensionering” en scherpt hij het WODC-Protocol aan, dat de onafhankelijkheid van het onderzoeksinstituut moet waarborgen. Daarmee is wat Riedstra betreft de kous af.

Wat is er mis bij Justitie? Lees hier meer

Deel 4: Secretaris-generaal Siebe Riedstra laat de zaak begaan

Op 3 februari 2016 zit Marianne van Ooyen bij Riedstra om over haar brandbrief te praten. Die heeft ze hem eind 2015 gemaild.

Op dezelfde februaridag publiceert NRC een hartenkreet van Sjaak Jansen, voormalig vertrouwenspersoon van het departement – met wie Van Ooyen contact heeft gehad. Jansen vertelt over „strafexpedities” jegens ambtenaren die meldingen deden. Klokkenluiders zouden volgens hem „wel gek zijn” misstanden aan te kaarten. „Het eerste wat men op het ministerie deed is ontkennen, en vervolgens wegvegen. Alles was erop gericht om het blazoen schoon te houden”, aldus Jansen.

Hij moet zich daarop melden bij Riedstra en vertelt hem over de casus Van Ooyen. „Een misstand”, volgens de vertrouwenspersoon.

Maar Riedstra laat het begaan. Hij vindt de melding van Van Ooyen „niet actueel” – die is inmiddels drie jaar oud, en hij heeft geen andere klachten over beleidsbeïnvloeding gekregen. Leeuw heeft dan – in de woorden van Van Ooyen – „een halve excuusronde langs afdelingen” gemaakt, en „lijkt verder gewoon door te kunnen gaan.”

Dat ondervindt ook de nieuwe vertrouwenspersoon, bij wie zich opnieuw medewerkers melden die klagen over „de bejegening” door Leeuw. Daar lijkt weinig aan te doen. Het is nou eenmaal een „karaktertrek” van Frans Leeuw, zeggen de bedrijfsarts en de personeelsafdeling van het ministerie. En ach, zijn pensioen nadert.

Deel 5: Grapperhaus gelast drie onderzoeken

Op 6 december 2017 lekt de brief van Marianne van Ooyen uit 2014 uit via Nieuwsuur. De nieuwe minister van Justitie en Veiligheid, CDA’er Ferdinand Grapperhaus, springt er bovenop. Het had niet mogen gebeuren, erkent hij live in de uitzending, en hij gelast drie onderzoeken. Het eerste betreft de afhandeling van de melding van Van Ooyen, het tweede richt zicht op de onafhankelijkheid van het WODC, en het derde onderzoek is naar mogelijke sturing vanuit het departement op conclusies in het wietpasonderzoek.

Aan hoogleraar arbeidsrecht Evert Verhulp de taak te onderzoeken hoe het ministerie omging met de klacht van Van Ooyen. Hij spreekt met betrokkenen en citeert in zijn rapport uitgebreid uit interne mails van het ministerie. Maanden eerder dan de andere twee commissies – hun onderzoeken worden na de zomer verwacht – is hij klaar.

De conclusies zijn hard. Leeuw en Riedstra hebben de klachten van Van Ooyen volgens Verhulp „niet met de juiste zorgvuldigheid” behandeld, schrijft hij in het dinsdag verschenen rapport. Ze hadden meer moeten doen om uit te zoeken of er inderdaad sprake was van beleidsbeïnvloeding. Dinsdagmiddag, toen het rapport intern verspreid werd, maakte Leeuw bekend dat hij volgende maand opstapt.

    • Merijn Rengers
    • Mark Lievisse Adriaanse