Van Afrika tot China: plastic is overal, maar de wil om op te ruimen begint te komen

Van de Afrikaanse savannes tot de Indonesische stranden en het Chinese platteland: plastic is overal. De wil om het op te ruimen begint, langzamerhand, te komen. Maar de praktijk is moeilijk. Drie NRC-correspondenten over hoe hun land omgaat met plastic.

    Overal in Afrika dartelen de plastic tasjes door de lucht

    De rivier de Niger, hier bij Bamako, de hoofdstad van Mali, zit vol plastic afval. Foto MICHELE CATTANI / AFP

    Afrika raakt verstikt door de plastic zak en is daarom begonnen met de aanpak van het probleem. Rwanda verbood in 2004 als een van de eerste landen de plastic zak, gevolgd een jaar later door Eritrea. Inmiddels bestaat in menig Afrikaanse staat een verbod of een belasting op het gebruik. Toch wordt het continent steeds meer een smeerboel want het heeft een groot tekort aan vuil verwerkende industrieën.

    Overal dartelen plastic tasjes in Afrika. Van West naar Oost, op savanne en op hooglanden, valt de macabere dans van vliegend plastic te zien. Rukwinden zuigen het gedumpte afval de lucht in waarna in de bezaaide hemel de zakken en flessen wild heen en weer schieten. Ze fladderen naar beneden en vinden houvast in de bomen. Les Fleur de Sahel, noemen de bewoners van de streek bezuiden de Sahara schertsend deze vervuiling.

    In Nouakchott, de hoofdstad van Mauritanië, sterft 70 procent van de koeien en schapen door het eten van plastic tassen. In het Hof van Eden, zoals de maagdelijk mooie wildparken van Oost Afrika eens heetten, happen olifant, leeuw en hyena aan het afval. Aan de kusten van de Indische Oceaan stikken schildpadden in de rotzooi.

    Wie in Kenia een sanitaire stop langs de weg maakt, zakt in de greppel weg in een smurrie van schimmelende pizza’s, verschrompelde patat, rottende lappen, emmers en flessen, afgeroomd met welig tierend onkruid en insecten. De ene Keniaan beschouwt de schroothoop van het consumptieparadijs als een belediging voor het oog. Voor de andere is het een teken van vooruitgang, net als de ronkende files in de steden.

    Het probleem is relatief nieuw voor het continent. Immers, tot dertig jaar geleden bestonden de consumptiemaatschappij en de wegwerpcultuur hier niet. Met een tas van sisal toog de Afrikaan naar de markt en kocht daar het alleen hoognodige. Voedsel werd verpakt in bananenbladeren of oude kranten. In 1983 opende in de Keniaanse hoofdstad Nairobi het eerste winkelcentrum. De rijken gingen er plezierig winkelen en de armen keken hun ogen uit naar de etalages. En voor iedere aankoop kreeg de koper gratis een plastic zak.

    Maar op het vliegveld van het Rwandese Kigali wordt de passagier de plastic zak afgenomen, de hoofdstad is netjes aangeveegd en ook daarbuiten oogt het eng schoon. Het grote probleem met plastic zakken in Afrika is de ordeloosheid en het gebrek aan verwerking van het plastic. Daarom geldt het strak bestuurde Rwanda als een succes, een voorbeeld moeilijk te herhalen in andere, minder autoritaire staten.

    In het meer losbandige Kenia wacht sinds augustus vorig jaar de plastictasbezitter een maximale straf van één tot twee jaar cel of duizenden euro’s boete. Tot aan het verbod werden 24 miljoen tasjes per maand uitgegeven, waarvan nog geen kwart werd verwerkt. In de arme wijken van de hoofdstad, waar 60 procent van de stadsbevolking leeft, komt geen vuilnisophaaldienst.

    Plastic flessen en bakjes zijn nog niet aangepakt. De Keniaanse milieuorganisatie Nema deinsde onlangs terug voor een algeheel verbod en zoekt nu naar een manier om met statiegeld de lege flessen te verzamelen. Kenia heeft een grote industrie die plastic fabriceert, waardoor sancties altijd stuiten op verzet van groothandelaren.

    Verwerkt plastic wordt al gebruikt bij het dichten van gaten in de weg en voor palen. Zo mogelijk de grootste uitdaging is wat de doen met lege batterijen, die nu nog op het hele continent onder de grond worden gestopt.

    Koert Lindijer (Nairobi)

    Zolang er arme mensen in China zijn, wordt er gerecycled

    Medewerkers van een vuilnisbelt in Beijing vissen de flessen uit het vuilnis. AFP/NICOLAS ASFOURI

    Je kunt in China tegenwoordig overal van diezelfde handige plastic zakjes kopen als in Nederland: zakjes met een rits of een drukstrip waarmee je ze opnieuw kunt sluiten. Ze zijn van vrij dik plastic gemaakt. Ik gebruik ze om stapeltjes gesneden boterhammen mee in te vriezen.

    Als het brood op is, blijven er kruimeltjes over in het zakje. Weggooien dan maar? Niet als het aan mijn Chinese werkster ligt. Zij is al in de vijftig en ze komt uit Anhui, een arme provincie in Centraal-China. Ze kan het niet over haar hart verkrijgen om zulke mooie zakjes zomaar weg te gooien. Dus ze wast ze uit, en dan plakt ze de natte zakjes tegen de tegelwand boven het aanrecht. Als ze eraf vallen zijn ze droog en kunnen ze weer in de la voor hergebruik.

    Zij is lekker milieubewust bezig, dus. Niet uit zorg om het milieu, maar omdat ze is opgegroeid in armoede en omdat ze het nog steeds niet breed heeft. Ze wijst naar mijn werkkamer, en vertelt dat zij met haar hele gezin van drie personen in een ruimte van dezelfde grootte aan de rand van Beijing woont.

    Haar zuinige houding is zeker in de grote steden niet meer algemeen. Met de snelle welvaartsstijging van de laatste jaren is de consumptie van plastic net zo snel toegenomen: alles wat vroeger uit armoede milieuvriendelijk werd verpakt, is nu verpakt in plastic.

    Voordat ik in de trein naar Dandong stap, koop ik een warme maaltijd voor onderweg met een drankje erbij. Alles komt in plastic bakjes, ik krijg er plastic bestek bij en plastic cupjes met saus. Het geheel zit in een plastic zak en het drankje heeft een plastic deksel en een plastic rietje. In de trein zit ik naast een man met net zo’n zak. Na afloop gooien we de hele rotzooi, hups, in de afvalbak.

    Lees ook:Plastic doet precies wat we willen

    Als ik twintig jaar geleden met de trein door China reisde, was dat anders. Mensen hadden hun aluminium, herbruikbare gamellen met warm eten bij zich, ze dronken thee uit een glazen pot met een gehaakte plastic huls er omheen zodat ze hun handen niet brandden aan het hete glas. Als het water op was, kwam het treinpersoneel langs met een grote ketel heet water om bij te schenken. Zo had je geen of weinig afval.

    Het afval dat er was, werd dan wel weer zonder problemen uit het raampje van de trein gekwakt. Dat maakte het zicht uit de trein er niet mooier op: je zag plastic zakjes in alle kleuren als vreemde vruchten in de bomen langs het spoor hangen.

    Nu wordt het afval netjes ingezameld in een grote plastic zak, en die zak wordt niet meer uit het raam gegooid. Die wordt, laten we hopen, netjes gerecycled. Ik zie in elk geval geen afval meer als ik vanuit de hogesnelheidstrein naar buiten kijk.

    Ook in een stad als Beijing zijn de straten brandschoon, veel schoner dan bij ons. Dat is in andere steden en op het platteland wel anders: daar ligt het plastic afval nog gewoon op straat, of je ziet het liggen rotten op grote afvalbergen naast de steden en dorpen.

    Tegenwoordig moet je om het milieu te beschermen ook hier een klein bedrag extra betalen als je een plastic tasje wilt. Op de markt krijg je die zakjes nog wel gratis, maar juist in de duurdere winkels betaal je ervoor. Dat is een eerste stap op weg naar minder plastic afval. Wat ook helpt, is dat er nog genoeg arme mensen in China zijn die leven van, of bijverdienen met, het verzamelen van papier en plastic om het te recyclen. Als je een leeg plastic flesje in een openbare afvalbak gooit, is er al snel een oude man of vrouw die het er weer net zo snel uitvist.

    Maar China kan het al een hele tijd niet meer hebben van de armoede om de consumptie van plastic beperkt te houden. Dat vraagt om een strengere overheidsaanpak, en daar is de Chinese president Xi Jinping zich terdege van bewust. Het geld voor de plastic tasjes is daarbij in elk geval een kleine eerste stap.

    Garrie van Pinxteren (Beijing)

    Preken in de moskee in Indonesië tegen plastic troep

    Plastic op het strand bij Sanur op Bali.

    Reuters/Johannes Christo

    Na een paar maanden wist het personeel van het koffietentje waar mijn taalleraar en ik altijd afspreken dat we onze cappuccino het liefst uit een gewone mok drinken. Buat mengurangi sampah, leerde ik erbij zeggen: om het afval te verminderen.

    Alleen zodra één van ons iets anders bestelt dan seperti biasa, gaat het mis. Dan krijgen we die ijskoffie of thee alsnog in een plastic of kartonnen bekertje. Dit kleine voorbeeld tekent het gebrek aan milieubewustzijn van veel Indonesiërs.

    Indonesië heeft een afvalprobleem, specifieker nog een plasticprobleem. Wereldwijd levert alleen China een grotere bijdrage aan de vervuiling van de oceanen. Het meeste plastic komt via rivieren in zee terecht. Vier van de twintig vuilste rivieren ter wereld liggen op het eiland Java. Het wetenschappelijke tijdschrift Nature schreef vorig jaar dat 14,2 procent van al het plastic in zee uit Indonesië komt.

    Dat zie je terug op straat. De Indonesische hoofdstad Jakarta is op het eerste gezicht aardig schoon, maar dat is het werk van wat hier het ‘oranje leger’ heet. Ruim 20.000 mannen en vrouwen in oranje uniforms halen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat het vuilnis van de straat en baggeren de verstopte rivieren leeg.

    Buiten de stad is het vuilnis overal. Tijdens een weekendje weg, aan de kust, zitten we op het strand te picknicken tussen de lege bakken noedels, eenzame slippers en uitgeknepen pakjes drinken. De geur van verbrand plastic dringt hier een paar keer per dag je neus binnen – wat moeten de inwoners er anders mee?

    Op de mooiste duikplekken van het land drijft plastic in zee. In maart ging er een video viral van een Britse duiker die filmt hoe hij door de troep zwemt, ongeveer 20 kilometer uit de kust van Bali. De grote rog die onder hem door zwemt, valt helemaal niet op, zoveel vuilnis dobbert er rond.

    De Indonesische overheid ziet het probleem wel, maar doet weinig. Twee jaar geleden probeerde de regering al eens om een belasting te heffen op plastic tasjes. Die zouden voortaan 200 roepia per stuk kosten, iets meer dan 1 eurocent. Maar het kwam er niet van. De levensmiddelenindustrie was tegen en zelfs binnen de regering was er kritiek op het plan: de minister van Industrie kwam op voor de producenten van de tasjes.

    Indonesië heeft vorig jaar aan de Verenigde Naties beloofd dat in 2025 de hoeveelheid plastic afval met 70 procent verminderd zal zijn ten opzichte van 2017. Er bestaat ook een nationaal actieplan voor. Veel concrete maatregelen staan daar niet in, het belangrijkste zou het vergroten van de bewustwording zijn.

    Vooral op Bali, het eiland dat de meeste toeristen trekt, ziet de lokale overheid het belang van schone stranden zeker wel. In december riep het eiland een vuilnis-noodtoestand uit. En de hippe tentjes hier serveren je verse watermeloensap met een rietje van bamboe of roestvrij staal. Maar voor de gewone Indonesiër is dit soort eco-bewustzijn ver van zijn bed.

    Het recentste plan is om de twee grootste moslimorganisaties van het land te laten helpen. Zij gaan in hun preken vertellen hoe slecht het gebruik van plastic zakjes is – het zijn er nu bijna tien miljard per jaar. Wie weet kunnen zij de gemiddelde klant in de supermarkt in Jakarta overtuigen. Die laat gerust zijn weekboodschappen inpakken in minstens twintig tasjes.

    Annemarie Kas (Jakarta)