Mars was brons, Venus van aardewerk

Archeologie

Romeinse beeldjes zijn als relatiegeschenk in de lage landen verspreid. Mars, Venus en Mercurius kregen er nieuwe functies.

Met de Romeinen kwamen ook hun beeldjes naar de Lage Landen. Ze kwamen ook in handen van bewoners die er al leefden. Die gebruikten de beeldjes in rituelen die al eeuwen voor de komst van de Romeinen bestonden. De terpbewoners in het noorden hielden vooral van bronzen beeldjes van Mars en Mercurius – ten zuiden van de Rijn was Venus, in terracotta, populair.

De beeldjes kregen verschillende functies. Ze werden in huisaltaren vereerd en op verschillende plaatsen geofferd, blijkt uit het proefschrift waarop archeologe Christel Veen 18 juni aan de Radboud Universiteit is gepromoveerd.

„Tot nu toe had nog niemand deze categorie archeologische vondsten uitgebreid bestudeerd”, vertelt Veen. Zij heeft van alle beeldjes in Nederland, waarvan de vindplaats bekend is, gekeken of er relaties waren tussen hun vindplaats, hun grootte, het materiaal waarvan ze zijn gemaakt en wat ze verbeelden.

Het eerste dat opviel is dat het er weinig zijn. Veen: „In honderd jaar zijn er 688 opgegraven. Ter vergelijking: een gemiddelde opgraving levert duizenden aardewerkscherven en andere vondsten op.” Ze heeft de indruk dat het elders in Europa niet anders is. „In heel Engeland zijn ongeveer duizend bronzen beeldjes bekend. Je zou kunnen denken dat de mensen in het noordwesten van het Rijk er geen belangstelling voor hadden, maar de komst van productiecentra voor terracottabeeldjes in Gallië en het Rijn-Moezelgebied spreekt dat tegen. Voor het geringe aantal zijn misschien andere verklaringen.”

De beeldjes werden vermoedelijk onder meer gebruikt als diplomatieke giften aan de Germaanse leiders ten noorden van de Rijngrens. „Mars sprak de Friezen en Chauken mogelijk aan vanwege zijn martiale karakter, of als brenger van vruchtbaarheid. Mercurius had veel functies en viel mogelijk in de smaak als god van de handel en beschermer van reizigers.” Opvallend: de bronzen beeldjes in het terpengebied zijn met twaalf tot zeventien centimeter beduidend groter dan de meeste bronzen beeldjes ten zuiden van de Rijn, die tussen de vijf en negen centimeter groot zijn.

Bronzen Mars die in Tiel Passewaaij tevoorschijn kwam. Foto Helma Molenaars

Voor de bewoners van het terpengebied hadden de beeldjes een speciale betekenis, zegt Veen. „Ze zijn namelijk niet omgesmolten of geruild tegen goederen. We vinden ze terug in de terpen waar ze vermoedelijk als offer zijn achtergelaten toen de bewoners wegtrokken uit het gebied.”

Beeldjes met een profane functie konden een nieuwe, rituele betekenis krijgen. Een favoriet van Veen is een terracotta vogeltje dat bij Schagen is gevonden. „Het ging om een speelgoedje met een wiebelende kop. Het was zonder die kop, maar samen met een pot, kralen en een stuk ijzer onder de ingang van een schuur begraven – wellicht was het een bouwoffer.”

In de nederzettingen in het gebied ten zuiden van de Rijn zijn de beeldjes vaak gevonden in greppels en waterputten of bij rivierbeddingen. Soms in hun geheel, soms alleen het hoofd. „Ze zijn dus ritueel gedeponeerd, net als wapens in de Bronstijd, die op dezelfde soort plekken zijn gevonden.”

Veel moet nog worden ondrzocht, maar Veen durft wel te zeggen dat bronzen beeldjes taboe waren in graven. „Er zijn talloze graven uit het Romeinse Rijk opgegraven, vrijwel allemaal zonder metalen beeldjes. Beeldjes van terracotta en amber komen wel voor. Bronzen vaatwerk werd wel meegegeven, maar de beeldjes die goden en bovennatuurlijke wezens voorstelden mochten waarschijnlijk niet met de dood besmet raken.”

Een kleipoppetje dat in een Romeinse kelder in Nijmegen is gevonden werd juist gebruikt om iemand kwaad te doen. „Er zijn gaatjes in geprikt.” Soms worden bij dergelijke beeldjes vloektabletten gevonden. Veen kan maar één conclusie trekken: „Dit was een voodoopoppetje.”

    • Theo Toebosch