Iedereen spreekt toch emoji?

Wereldtaal Emoji’s zijn het nieuwe Esperanto. Een nieuw boek beschrijft hoe ze onze taal veranderen.

Google liet begin deze maand weten de emoji voor sla aan te passen: het ei is eruit gehaald, opdat voortaan ook veganisten zich van de Google-sla konden bedienen. Eind 2017 paste Google na ophef al zijn hamburger-emoji’s aan: de ontwerpers hadden de kaas ónder de burger bedacht, en niet er bovenop, en zo eet geen mens zijn burger, was de online consensus. Google-topman Sundar Pichai kondigde in een tweet met een lachend gezichtje aan zijn agenda leeg te ruimen tot dit probleem was verholpen.

Emoji’s zijn het Esperanto van deze tijd. De hele wereld gebruikt de elektronische tekens, iedereen begrijpt het, en de hele wereld moet zich dus ook herkennen in de beeldtaal van het toetsenbord. Popster Miley Cyrus tweette in 2012 dat ze vond dat er een ethnicity update voor emoji’s moest komen, zodat er niet langer uitsluitend emoji’s met witte huidskleur zouden zijn. Na veel bijval gaven Apple en Unicode, de organisatie die de digitale toetsenborden beheert, gevolg aan Cyrus’ oproep. Ook kwamen er emoji’s met hoofddoek en tulband, werd het voedselassortiment, dat eerst vooral uit sushi en miso bestond aangezien emoji’s van oorsprong Japans zijn, uitgebreid met taco’s en friet, en sla dus. Behalve typisch Japanse gebruiken werd ook meer internationale religieuze symboliek opgenomen in het toetsenbord, zoals een gebedssnoer en een Kaäba-emoji.

Zelfbenoemd emoji-expert Lilian Stolk schreef Het zonder woorden boek over het ontstaan en gebruik van de emoji. Die associëren we in eerste plaats met het gele lachende gezichtje, dat in de jaren zestig werd ontwikkeld voor een verzekeringsmaatschappij die na een fusie het moreel onder het personeel wilde opvijzelen en daarvoor de smiley liet ontwerpen. Het kostte de grafisch ontwerper in kwestie tien minuten en het leverde hem 45 dollar op. Stolk schrijft hoe het in de decennia daarop werd omarmd als feelgood-symbool van pacifisten en hippies, en hoe het uiteindelijk in de jaren negentig het symbool werd van de acid house.

De illustraties bij dit artikel komen uit Het zonder woorden-boek van Lilian Stolk. Ze startte een enquête online waarin ze mensen vroeg wat volgens hun de volgende emoji’s betekenen. Uit de bovenstaande illustratie blijkt dat vrijwel iedereen ziet dat de emoji huilt van geluk. Een enkeling denkt dat de ‘Tears of joy’ voor een verdrietige emotie staat.

In de jaren tachtig kwam op de voorloper van het internet, ARPANET, de emoticon in zwang. Een computerwetenschapper, Scott Fahlman, bedacht dat het handig was om duidelijk te maken wanneer hij een grapje maakte in zijn chatberichten, wanneer zijn gezichtsuitdrukking voor de ontvanger onzichtbaar was, en introduceerde daarvoor :-). Het woord emoticon is een samentrekking van emotion en icon.

Eind jaren negentig tenslotte werden de eerste emoji’s ontwikkeld in Japan, in eerste plaats als symbooltjes voor het weerbericht. Al gauw werden daar gezichtsuitdrukkingen en hartjes aan toegevoegd, om misverstanden in de nieuwe sms-communicatie bestaande uit 160 tekens, te voorkomen. De Japanners hechten veel aan context en formaliteiten, en de directheid van de digitale, bondige communicatie kon enigszins worden ingekleed door emoji’s (Japans voor beeldkarakters, dus de verwantschap met emotie en emoticons is toevallig).

Lekker vaag

In haar originele, goed geschreven boek, dat ze bovendien zelf illustreerde, schrijft Stolk hoe Hillary Clinton jonge potentiële kiezers van zich vervreemdde door in 2015 op Twitter een oproep te doen om hun onvrede over studieschuld in drie emoji’s te beschrijven. De studenten voelden zich totaal niet serieus genomen en vonden dat een complex probleem als studieschuld niet gereduceerd kan worden tot emoji’s.

Het toont hoe ambivalent de symbooltjes worden gebruikt en gelezen. Tieners zeggen, volgens Stolk, dat zij zich beter kunnen uitdrukken in emoji’s dan in woorden, juist omdat emoji’s minder precies zijn dan woorden. Berichten vol beeldtaal zijn vrijblijvender dan die in woorden. Volgens Stolk komt dat mede doordat emoji’s inderdaad makkelijker gevoelens weergeven, waar het alfabet meer aan logica gebonden is, en we nu eenmaal leven in een emotionele wereld. En toch hebben emoji’s wel hun weerslag op de werkelijkheid: in 2015 werd een meisje van twaalf aangeklaagd omdat ze op Instagram haar school bedreigde met emoji’s van een pistool, een bom en een mes.

Poep is in Japan een gelukssymbool. Het Japanse woord voor poep klinkt hetzelfde als het woord voor geluk, vandaar de lachende drol.

Die vaagheid, en de snelheid waarmee met emoji’s wordt gecommuniceerd, maakt dat taalpuristen alleen maar verloedering zien wanneer ze een bericht lezen dat is doorspekt met emoji’s. Stolk spreekt van de fastfoodisering van onze taal. Ze schrijft: „Onze geschreven taal is terechtgekomen in een fastfoodtijdperk; het gebruik is snel, internationaal en doeltreffend. Onze berichten zijn kort, zitten vol afkortingen en Engelse woorden, en na het typen drukken we meteen op ‘verzenden’, zonder het nog eens terug te lezen.” Net als voedsel, mode en technologie, wordt ook taal uniformer, sneller uit te wisselen en makkelijker te vervangen. Een verslag van een vakantie wordt versimpeld tot een eilandje en een emoji met zonnebril, een liefdesbrief wordt bondig vervat in drie hartjes, daar hoeft dan geen woord meer aan te pas te komen en iedereen begrijpt min of meer de strekking. Erg particulier is het niet.

Wittgenstein had graag emoji’s gehad

Opmerkelijk genoeg fantaseerde Ludwig Wittgenstein in 1938, in een lezingenreeks over taal en esthetiek, hoe hij, als hij een goede tekenaar zou zijn, zijn adjectieven zou vervangen door ronde gezichten met uitdrukking, wier stand van ogen, wenkbrauwen en mond oneindig veel genuanceerder zouden zijn dan zijn beperkte vocabulair. Wittgenstein zei: „Als we precies willen zijn, gebruiken we een gebaar of een gezichtsuitdrukking.”

Ook de Japanse bedenkers van de emoji stelden zich voor dat de symbooltjes de digitale communicatie zou nuanceren. Het verschil tussen de oneindig geschakeerde gezichtsuitdrukkingen waar Wittgenstein het over heeft en emoji’s is natuurlijk dat het emoji-toetsenbord een beperkt aantal mogelijkheden biedt en dat de gele gezichtjes niet zo heel subtiele uitdrukkingen hebben. Bovendien zijn er veel meer vrolijke en melige emoji’s dan serieuze, twijfelende of sombere exemplaren, wat niet helemaal met de gemiddelde gemoedstoestand zal corresponderen. Zelfs de pile of poo lacht, hoewel dat is omdat de poep-emoji in Japan voor geluk staat (het Japanse woord voor poep klinkt hetzelfde als het woord voor geluk).

Door de druppel op het voorhoofd weten Japanners dat het zweet is. De emoji kan refereren aan bijvoorbeeld angst, schaamte of verwarring.

Communicatie in opvangcentra

Emoji’s zijn dus niet precies en niet persoonlijk, maar wel universeel. In vluchtelingenopvangcentra op Lesbos worden ze ingezet voor de communicatie tussen asielzoekers en hulpverleners. Zo zijn informatiefolders beschikbaar in de beeldtaal van de emoji. In een Whatsapp-gesprek tussen een vrijwilliger en iemand die schoenen nodig had werd gecommuniceerd als schoenenemoji-39.

Waar taal, en beeldtaal, in een mum van tijd de wereld over gaat is het niet verwonderlijk dat een eenvoudige, aansprekende taal als die van de emoji zo snel door iedereen is geadopteerd. Behalve de taal van het fastfoodtijdperk is het ook de taal van een geglobaliseerde wereld, waarin landsgrenzen, tijdsverschillen en taalbarrières er niet toe doen.

Maar dat emoji’s een soort nieuw Esperanto zijn heeft ook een keerzijde, net als de geglobaliseerde wereld waar de tekens in worden rondgestuurd: eigenaardigheden gaan verloren. De taal van iedereen moet toegankelijk, begrijpelijk en bruikbaar zijn voor iedereen, en geeft geen uitdrukking aan persoonlijke voorkeuren.

Het betekent dat iedereen is veroordeeld tot dezelfde Google-sla, zónder ei.

    • Nynke van Verschuer