Lonneke Lenferink, rouwpsycholoog.

Foto Sake Elzinga

Hardnekkige rouw om een vermiste

Lonneke Lenferink psycholoog

Als iedereen zegt dat je vermissing van een dierbare nooit meer te boven komt, kunnen achterblijvers echt alle hoop verliezen.

Toen Lonneke Lenferink in 2014 begon te onderzoeken hoe het gaat met achterblijvers als een dierbare van hen vermist is geraakt, was daar nog vrijwel niets over bekend. Onbekend was zelfs hoeveel mensen jaarlijks in Nederland vermist raken. Er bestaat geen centraal register van vermiste personen. Met de verbazing nog steeds in haar stem: „Ik ging naar de politie, ik dacht: ik vraag de aantallen even op, maar die wisten ze niet!”

Pas toen ze al een jaar bezig was met haar promotie verscheen het rapport Vermisten op de kaart: aard en omvang van langdurige vermissingen (2015) van Bureau Beke in opdracht van de politie. Met „schattingen”, vertelt Lenferink in een vergaderruimte in een Gronings universiteitsgebouw. De database van het tv-programma Vermist (1995-2015) van AvroTros was een belangrijke bron.

Lees ook de longread over een vrouw die al meer dan veertig jaar vermist is en de gevolgen daarvan voor haar familie: Ria is weg

Lenferink begrijpt inmiddels wel waarom het zo moeilijk is om exacte cijfers te geven: „Elke dag zijn er ruim 80 meldingen van vermiste personen in Nederland; ruim 30.000 per jaar. Maar meer dan 90 procent wordt binnen 48 uur levend gevonden. Ongeveer 100 mensen per jaar blijven langer dan een jaar vermist. Voor de politie is het heel moeilijk te bepalen wie dat zijn. Daarom komen zoekacties soms pas laat op gang, heel frustrerend voor de achterblijvers. De politie gaat alleen zoeken als ze denken dat het in iemands belang is om te worden gevonden – het is ieders recht te vertrekken.”

Hebben de achterblijvers van een langdurig vermiste het zwaarder dan wanneer die persoon een natuurlijke dood zou zijn gestorven?

„Alles wijst daarop. In mijn steekproef van 137 naasten van langdurig vermisten, gemiddeld 15 jaar na de vermissing, had 50 procent verhoogde rouwklachten: een intens verlangen naar de vermiste, preoccupatie met de omstandigheden van het verlies. Bij nabestaanden van iemand die minstens zes maanden eerder door een niet-gewelddadige oorzaak om het leven was gekomen, was dat 10 procent. Maar strikt genomen weten we niet of vermist erger is dan dood. Mijn steekproef is niet representatief: mensen hebben zichzelf vrijwillig aangemeld, ik heb geworven via Vermist en een lotgenotenvereniging. Misschien zijn het mensen die relatief nog sterk met de vermissing bezig zijn.

„Een directe vergelijkingsstudie is nooit gedaan. In literatuuronderzoek vond ik maar elf studies van voldoende kwaliteit waarin psychische klachten na vermissing van een dierbare zijn onderzocht. In zes daarvan is vermissing vergeleken met moord en die studies ondersteunen niet dat vermissing tot hogere klachtenniveaus leidt. Maar dat waren wel allemaal studies in de context van een gewapend conflict: Bosnië, Colombia… ”

Waar komt het beeld dan vandaan dat het erger is als een dierbare verdwijnt dan als een dierbare sterft?

„Ze noemen vermissing ook wel ‘ambigu verlies’: iemand is fysiek niet meer aanwezig maar psychisch wel. Er wordt gezegd dat dat de afsluiting belemmert: als je niet weet of je dierbare terugkomt, geeft dat aanleiding tot piekeren en blijven zoeken. Verder heeft vermissing allerlei praktische en juridische gevolgen. Na vijf jaar kan pas een verklaring van vermoedelijk overlijden worden afgegeven. Intussen keert de levensverzekering niet uit en de hypotheek en andere verzekeringen lopen door. Mensen zitten dus vijf jaar in de financiële ellende, waarvoor momenteel in Nederland weinig hulp is.”

Maar bij de term ‘ambigu verlies’ hoorde ik enige skepsis in uw stem?

„Ja, omdat die niet empirisch onderbouwd is. De term komt van Pauline Boss, de godmother van de vermissing. Zij heeft er boeken en papers over geschreven en ze heeft gewerkt met nabestaanden van slachtoffers van 9/11. Ze is afkomstig uit het maatschappelijk werk en heeft maar heel beperkt onderzoek gedaan. Als zij het heeft over ‘het meest traumatische verlies’ stigmatiseert dat mensen. Het kan achterblijvers in een slachtofferrol duwen en het doet hun verscheidenheid tekort. Er zijn er ook met wie het redelijk goed gaat.

„Ik hoor ook nog steeds regelmatig beweren dat je bij rouw vaste fasen zou moeten doorlopen, terwijl daar geen enkel bewijs voor is. Dit is net zoiets: als de boodschap is ‘een vermissing kom je nooit meer te boven’, kunnen achterblijvers ten onrechte de hoop verliezen dat ze ooit hun leven weer kunnen oppakken.”

U heeft ook een behandeling ontwikkeld en therapeuten getraind. Er bestond toch al rouwtherapie?

„Maar daarin wordt gehamerd op de onomkeerbaarheid van het verlies en we nemen aan dat dat bij achterblijvers na vermissing weerstand kan oproepen. Deze therapie gaat meer over het leren aanvaarden van onzekerheid. Er is nu in bijna elke regio wel een therapeut die deze behandeling aanbiedt, ze staan op levenmetvermissing.nl, onderdeel van Landelijk Netwerk Traumatisch Verlies.”

U heeft ook onderzoek gedaan naar de nabestaanden van de MH17-ramp. Hoe gaat het met hen?

„Ja, dat is niet in mijn proefschrift terechtgekomen omdat het niet over vermissingen gaat. Maar elk half jaar ondervragen we 167 mensen van wie toen een dierbare is omgekomen, al vanaf tien maanden na de ramp. Circa een jaar na de ramp zagen we dat ongeveer eenvijfde weinig psychische klachten had, ongeveer tweevijfde verhoogde rouwklachten, en nog eens ongeveer tweevijfde verhoogde rouw met symptomen van depressie en posttraumatische stress. We weten uit de literatuur dat er bij rouw vaak een groep veerkrachtige mensen is, een groep die het eerst moeilijk heeft maar dan opveert, en een groep die lang klachten houdt. We willen graag weten of dat hier ook zo is en waarmee het samenhangt.”

    • Ellen de Bruin