opinie

    • Christiaan Weijts

Schuldige boerderij

Te koop: royale boerderij op het landgoed Clingendael. Leuk authentiek detail: onder het gigantische pannendak gaat de betonnen bunker schuil van niemand minder dan Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart. Ideaal als indoorspeelparadijs, sm-club, of noem het ‘Bed and Breakfast Zes-en-een-Kwart.’

De nazi’s vermomden hem zo goed dat je hem ook nu, achter de koeien in de wei, voor een onschuldige boerderij aanziet. Totdat je bij de hekken en de bewakingscamera’s bent. „Het is de enige camouflagebunker die er nog is in Nederland,” vertelt Ronald Klomp. „Die schoorstenen daarboven, dat was het luchtafweergeschut.” Klomp doet met zijn Stichting WO2 Sporen onderzoek naar de Haagse oorlogsgeschiedenis, en vertelt erover op scholen. Hij maakt zich grote zorgen nu het Rijksvastgoedbedrijf de bunker wil verkopen aan de hoogste bieder.

Goed, het is een Rijksmonument en de gemeente Wassenaar, die samen met het Rijk de verkoopvoorwaarden aan het vaststellen is, zal het vast netjes verkopen. „Maar als die koper het straks weer van de hand wil doen? Dat gebeurde verderop met een bunkerhospitaal dat datacentrum werd, en failliet ging.”

Klomps zorgen zijn breed gedeeld bij instellingen als het NIOD (o.a. oorlogsdocumentatie) en Israël-informatiecentrum CIDI. Na de ‘Muur van Mussert’ roept dit opnieuw de vraag op: wat doen we met al die schuldige bouwsels?

Die gevoeligheid lijkt vrij nieuw. Jarenlang veranderden bunkers zonder veel ophef in klimwanden of survivalcentra. „Na de oorlog was iedereen bezig met wederopbouw, vergeten, er niet over praten”, verklaart Klomp. „Vooral de tweede generatie gaat vragen stellen. Ik merk het aan de reacties van mensen van wie ik iets vind uit hun familiegeschiedenis. Vaak willen ze dan ook de fysieke documenten zien.”

Tastbare geschiedenis: die voel je ook hier, als we een rondje rond de bunker maken. „Bovendien is dit van een heel andere orde dan die andere duizenden bunkers. Dit was de centrale plek. Het is een van de grootste herinneringsplekken.”

Hij dringt erop aan het aan de Monumentenorganisatie NMo te verkopen, die er een centrum voor educatie, informatie en onderzoek in kan vestigen. Maar ja, hoeveel oorlogsmusea kun je eigenlijk hebben? „Er is 25 vierkante meter in het Haags Historisch Museum, en 60 in het Museon. Dat is niet veel voor een stad waar 18.000 doden vielen.”

De gemeente Den Haag mag zich er daarom ook wel wat meer voor inzetten, vindt hij. „Als het in particuliere handen komt, ben je de grip kwijt. Dan moeten ze hier straks de mobiele eenheid inzetten omdat ze het verkochten aan een paar gasten die het leuk vinden om de verjaardag van Adolf Hitler te vieren.”

Christiaan Weijts schrijft op deze plek iedere vrijdag een column.
    • Christiaan Weijts