Recensie

Namaak Beatles werden echt

Popmuziek

Lange tijd stonden The Monkees voor alles wat in de muziekindustrie onecht is. De erkenning dat ze aanstekelijke pop maakten, kwam laat.

De Amerikaanse televisieserie The Monkees werd in Nederland in 1966 op zaterdagmiddag uitgezonden

Op het moment dat The Beatles ophielden met optreden om alleen in de studio muziek te maken, begon in de Verenigde Staten de tv-serie The Monkees die gemaakt leek om het gat op te vullen. Grappig genoeg ontstond uit de serie (1966-68), over vier vrolijke jongens die vrolijke liedjes speelden waarmee ze net zo beroemd wilden worden als The Beatles een echte band die nog succesvol werd ook.

Michael Nesmith (1942) was een van de vier, en in Infinite Tuesday vertelt hij over de tv-serie. Afstandelijk en geamuseerd beschrijft hij zijn verbazing toen bleek dat hij alleen een bandlid moest acteren, en dat het niet de bedoeling was dat hij zelf ook muziek zou maken. Later mochten The Monkees toch nu en dan hun eigen liedjes opnemen – en zo werden ze bijna een ‘gewoon’ bandje.

Minachting

De serieuze muziekliefhebber keek er met minachting naar en beschouwde The Monkees als ‘een goedkope kopie’ van het echte werk. Maar het jongste publiek zag ‘het tv-toestel tot leven komen, en al vonden hun oudere broers en zussen het niks, ze herkenden er hun eigen werkelijkheid in’, schrijft Nesmith. De band had een verrassend lange adem. Na de tv-serie bleven ze albums opnemen (al is er maar één dat ze volgens Nesmith ook écht samen maakten, Head uit 1968). Maar van het stigma dat ze de prefab four waren kwamen ze moeilijk af. Lange tijd stonden ze voor alles wat onecht was aan de muziekindustrie.

Dat ze ondanks hun ontstaansgeschiedenis aanstekelijke popmuziek maakten, durfden serieuze muziekliefhebbers pas veel later toe te geven. Het reüniealbum Good Times! (2016) werd enthousiast ontvangen, maar daarover schrijft Nesmith niet in deze ongewone en selectieve autobiografie (die hij ‘an autobiographical riff’ noemt).

Vooral de eerste helft van het boek zit bomvol grappige en goed vertelde anekdotes over Hollywood, Los Angeles en roem. Over andere muzikanten heeft Nesmith interessante dingen te vertellen. Hij waardeert Jimi Hendrix via Marcel Duchamp, analyseert zijn eigen Monkees via Andy Warhol en herkent in de beat van Bo Diddley het ritme van de scheldpartijen van zijn racistische oom. Aanstekelijk schrijft hij over Fats Domino, en over hoe gelukkig hij was toen een aantrekkelijk meisje diens ‘Ain’t That a Shame’ bleek te kennen. En hoe teleurgesteld hij was toen uitkwam dat ze alleen de versie kende van Pat Boone, een witte crooner die veel succes had met zijn gladde, onschadelijke versie van zwarte muziek. Nesmith verzint er de term ‘Boone-ing’ voor: goede muziek verpesten met inferieure versies. Ook vertelt hij over zijn eigen onaangename persoonlijkheid, die hij wijt aan het verlies van zijn kijk op de werkelijkheid die hij wijt aan wat hij celebrity psychosis noemt.

En daar is iemand die beroemd wordt dankzij een bandje dat eerst geen bandje was, natuurlijk bevattelijk voor. Nesmith was zijn carrière begonnen als marionet van Hollywood, en zoals hij zijn leven beschrijft, lijkt het alsof hij zijn hele leven een marionet is gebleven. Alles wat hij doet, overkomt hem; het leven lijkt zich bijna buiten hem om te ontvouwen. Hij denkt er veel over na, maar wekt niet de indruk dat hij er met eigen keuzes enige invloed op zou kunnen hebben.

Uitvinder van MTV

Over zijn solocarrière vertelt hij niet veel. Wel staat hij lang stil bij het liedje ‘Rio’ en het filmpje dat hij daarbij maakte, dat hem op het idee bracht dat er een tv-station zou komen dat filmpjes bij muziek zou uitzenden. Zonder valse bescheidenheid verklaart hij zich hierbij tot de uitvinder van MTV. Hij gaat zich steeds meer richten op het produceren van film en tv, en later ook op ‘virtual reality’. Dat dit een succesverhaal is, maakt de tweede helft van Infinite Tuesday wat minder interessant, al staan er nog steeds veel geestige en rake observaties in. De meest typerende: ‘Ik praat graag tegen mezelf, want ik begrijp tenminste wanneer ik ironisch ben’. En dat typeert hem ook wel; hij is tevreden als hij zichzelf een beetje begrijpt, en hij lijkt dit boek dan ook vooral voor zichzelf geschreven te hebben.

    • Bertram Mourits