Na jaren strijd komen de Israëlische bulldozers echt

Al jaren vreest het Palestijnse dorp Khan el-Ahmar te worden gesloopt om plaats te maken voor een Joodse nederzetting. Nu lijkt er, ondanks internationale boosheid, geen ontkomen meer aan. ‘Steeds denk ik, daar heb je ze.’

Kinderen in het Palestijnse dorp Khan el-Ahmar. Foto Atef Safadi/EPA

„Ik wou dat ze de sloop niet hadden aangekondigd”, zegt Umm Ahmad Jahalin op de grond voor haar huisje boven aan de heuvel. „Dan was het in één keer gebeurd. Nu durf ik nergens meer heen. Wat als de bulldozers komen terwijl de kinderen alleen thuis zijn?” Haar dorp Khan el-Ahmar wordt al jaren met sloop bedreigd, maar dit keer is het menens.

Het eerste wat je van het bedoeïenendorp ziet vanaf de snelweg naar Jeruzalem is een flamboyant-boom met prachtige knalrode bloemen. De hoofdweg is een zandpad, blootsvoetse kinderen en geiten scharrelen tussen de huisjes van metaal, hout en plastic. Niet ver van de boom staat het gebouw waarmee Khan el-Ahmar in 2009 wereldfaam verwierf: de autobandenschool, door een Italiaanse organisatie gebouwd uit rubberen banden en aarde. Na bijna tien jaar juridische strijd ligt er sinds 24 mei een onverbiddelijk besluit van het Israëlische Hooggerechtshof: zowel de school als de huizen mogen vanaf nu gesloopt worden. Sindsdien leven Umm Ahmad en haar circa 180 dorpsgenoten in voortdurende spanning.

Domino-effect

Activisten vrezen dat de sloop van Khan el-Ahmar een domino-effect heeft op de andere bedoeïenendorpen in Area C, het door Israël gecontroleerde gedeelte van de Westelijke Jordaanoever. „Er worden vaker huizen gesloopt, maar dit is voor het eerst een hele gemeenschap”, zegt David Zonscheine van mensenrechtenorganisatie B’tselem, die met een collega poolshoogte komt nemen in het dorp. Bovendien ligt Khan el-Ahmar in de zogenaamde E1-zone tussen Jeruzalem en een aantal grote nederzettingen. Als die nederzettingen worden doorgetrokken, zou de Westelijke Jordaanoever definitief in tweeën worden gesneden. Vorige week keurde het Israëlische bestuur de bouw goed van 92 huizen in Kfar Adumim, een van de nederzettingen waarop Khan el-Ahmar uitzicht heeft.

Het Palestijnse dorp Khan al-Ahmar. Foto Menahem Kahana/AFP

De meeste bewoners van Khan el-Ahmar zijn nakomelingen van bedoeïenen die in 1951 uit de Negev-woestijn werden verdreven. De grond waarop hun huizen staan, werd in 1975 door Israël tot staatsgrond verklaard. „Ik snap dat ze voor hun thuis strijden, maar de sloop is niet meer dan terecht”, zegt ambulancemedewerker David Kazanovich, die in een nederzetting iets verderop woont. „Het recht geldt voor iedereen. Ze ontmantelen soms ook joodse nederzettingen, dus waarom niet ook Arabische dorpjes?”

Oorlogsmisdaad

Dat het voor de Palestijnen bijna onmogelijk is een bouwvergunning te krijgen, vertelt Kazanovich noch het Hooggerechtshof erbij. Onder meer Frankrijk en Groot-Brittannië waarschuwden deze week dat het gedwongen vertrek van de dorpelingen een schending van het internationale recht betekent. Volgens VN-experts zou het zelfs een oorlogsmisdaad zijn.

Terwijl de activisten koffie drinken met dorpsvertegenwoordiger Eid Abu Khamis, stapelen zijn vrouw en dochters potten en pannen op een kleed onder de bomen. „We hebben al veel sloopbevelen en rechtszaken gehad”, zegt Sara Abu Khamis, „maar deze keer is het anders.” Ze laat een wit gebouwtje zien, net als hun eigen huis opgetrokken uit hout en plastic. Haar zoon zou na de vastenmaand Ramadan gaan trouwen, ze hadden het huisje net opgeknapt voor hem en zijn aanstaande bruid. Het bed hebben ze maar weer uit elkaar gehaald.

Foto Menahem Kahana/AFP

Wanneer de bulldozers komen weet niemand, alleen dát ze komen. „Elke keer als er een auto aanrijdt of een drone overvliegt, denk ik: daar heb je ze”, zegt Umm Ahmad. Ze heeft niks voorbereid, zegt ze. „Ik wil er niet aan denken.” Haar oudste zoon van 13 heeft net boodschappen gedaan in Jericho, omdat ze zelf durft de deur niet meer uit durft. Haar zeven maanden oude zoontje speelt naast haar op de grond. „Ik ben toch niet bang, ik ga met ze vechten!” zegt haar dochtertje Sanaa (9) uitdagend, maar de angst staat in haar ogen.

Vlakbij een vuilnishoop

Waar ze heen moeten als hun huisje gesloopt is, daar heeft niemand een antwoord op. „Wij gaan hier niet weg”, zegt Abu Khamis alleen. Het geboden alternatief zien ze niet zitten. Het stukje grond aan de rand van de stad Abu Dis ligt vlakbij de vuilnisbelt. In het wijkje ernaast werden in de jaren ‘90 al bedoeïenenfamilies gehuisvest die woonden waar nu de nederzetting Ma’ale Adumim ligt. In een van de huizen wijst Nawwal Jahalin links en rechts om zich heen. ,, We zijn ruimte gewend”, zegt ze. „Hier kijken we tegen een muur aan, en daar nog één, en daar...” Geiten houden gaat allang niet meer. Een familie die nog wel vee heeft, is zelfs weer in tenten gaan wonen op een braakliggend stukje grond. „En ons hebben ze destijds nog relatief veel ruimte gegeven”, zegt Jahalin. „Maar waar de mensen uit Khan el-Ahmar moeten komen, is echt niet genoeg plek.”

In Khan el-Ahmar rijdt de ene na de andere auto het hobbelige pad op. Activisten, politici en diplomaten wisselen elkaar af. Er wordt wereldwijd campagne gevoerd. Ze kunnen allemaal het onvermijdelijke niet tegenhouden, weten de dorpelingen. Volgens inwoner Mohammed Abu Dahouk hadden ze beter kunnen onderhandelen voor een leefbaar alternatief. „Maar van de Palestijnse Autoriteit moeten we blijven weigeren.” Het enige wat zou helpen, zijn echte strafmaatregelen door Europa of een felle veroordeling door de VS. Dat zit er allebei niet in. „Het doet me denken aan de verpleegsters op verschillende afdelingen van een ziekenhuis waar ik ooit werkte”, zegt Loren McGrail, die voor een kerkelijke organisatie al jaren met de bedoeïenen werkt. „Terwijl ze bij oncologie tegen de kanker bleven vechten, probeerden wij bij het hospice de onvermijdelijke overgang te begeleiden. Jarenlang hebben we alles geprobeerd, nu weten we dat het over is.”

    • Jannie Schipper