Kun je ‘zware botten’ hebben?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Vandaag: Kun je zulke zware botten hebben dat je niet kan blijven drijven?

Het is een geweldig excuus voor als de weegschaal meer aanwijst dan gewenst. Ik ben niet te dik, ik heb gewoon zware botten! Als ‘bewijs’ wordt dan aangevoerd dat de persoon in kwestie in het zwembad niet op zijn rug kan blijven drijven, als hij niet beweegt zakken zijn voeten onherroepelijk naar beneden. Een zwaar gestel, QED!

De vraag nu is of die smoes enig hout snijdt. De 206 botjes en beenderen van het menselijk skelet maken bij mannen gemiddeld zo’n 15 procent van het lichaamsgewicht uit, bij vrouwen zo’n 10 procent. Het skelet groeit mee met zijn eigenaar; dat geldt uiteraard voor de lichaamslengte, maar ook voor de lichaamsomvang. Iemand die zwaarder is, heeft zwaardere beenderen om het extra gewicht te kunnen dragen.

Een individueel verschil in drijfvermogen is in diverse wetenschappelijke proeven aangetoond, vooral bij onderzoek met zwemmers. Telkens blijkt daaruit dat mannen minder goed kunnen blijven drijven dan vrouwen. Maar dat ligt misschien niet alleen aan het zwaardere skelet van de mannen. Hoe goed je horizontaal kunt blijven drijven hangt af van de afstand tussen het zogeheten drijfmiddelpunt en het massamiddelpunt van het lichaam. Die afstand is bij mannen gemiddeld groter dan bij vrouwen. Dat heeft volgens onderzoekers te maken met de vetverdeling; vrouwen hebben meer vet op heupen en onderbenen.

Drijfkracht

Daarnaast speelt lucht in de longen een doorslaggevende rol. Dat bleek al in de jaren zeventig toen in opdracht van het Amerikaanse leger werd onderzocht hoe 98 rekruten bleven drijven in zoet en zout water. De uitkomst: met volgezogen longen bleef iedereen drijven, maar bij volledige uitademing bleef in zeewater nog maar 69 procent drijven en in zoet water slechts 7 procent. De lucht in de longen bepaalt het menselijk drijfvermogen zo sterk, dat de vraag is of de zink-proef wel bewijs is voor zware botten.

Voedingsdeskundigen hebben over het algemeen geen bewijs nodig om de theorie naar het rijk der fabelen te verwijzen. Het Voedingscentrum bijvoorbeeld is op zijn website heel stellig: „Nee, zware botten bestaan niet. Overgewicht betekent dat je meer weegt voor je lengte dan goed is voor je gezondheid. Met het gewicht van je botten heeft dat niets te maken. Overgewicht is bij de meeste mensen vooral extra lichaamsvet.” Volgens het Voedingscentrum verschilt het gewicht van botten niet veel tussen mensen. Dat is wel afhankelijk van je lengte. Daar wordt rekening mee gehouden bij de berekening van de Body Mass Index (BMI: gewicht in kilo’s gedeeld door het kwadraat van lichaamslengte in meters).

Maar is dat niet een cirkelredenering? Immers, als de botten in je lijf niet lang maar dik of massief zijn, komt je BMI relatief hoog uit. BMI geeft een indicatie of je een gezond gewicht hebt, maar het geeft niet het laatste woord daarover.

Mensen kúnnen een genetische aanleg hebben voor ‘zware botten’. Dat kwam voor het eerst aan het licht toen een Amerikaan in 1994 een ernstig verkeersongeluk kreeg, maar bij controle in het ziekenhuis bleek dat hij op wonderlijke wijze niets had gebroken. Pas jaren later bleek hij een mutatie te hebben in het LRP5-gen. Er bleken nog tientallen andere familieleden met ‘onbreekbare botten’.

Tien jaar later in 2012 concludeerde een Britse studie dat een dergelijke erfelijke aanleg bij 1 op 500 voorkomt. Deze mensen rapporteerden ook bovengemiddeld vaak dat zij niet konden zwemmen of konden blijven drijven. Twee van hen meldden zelfs dat zij zonken in de Dode Zee, met water zo zout dat ieder ander blijft drijven.

    • Sander Voormolen