Recensie

Ik ga eens fijn voor de gek houden

Merijn de Boer

Deze bovengemiddeld verliteratuurde schrijver laat zijn lezers graag wat te raden over. En misleidt je.

De boeken van Merijn de Boer hebben iets watervlugs, iets wat het voor een criticus niet altijd even makkelijk maakt om er een vastomlijnd kwalitatief oordeel over te vellen. Andermans boeken zijn vaak gewóón goed of gewóón slecht, in die zin dat je er met zekerheid over kunt zeggen dat de schrijver ervan het wel of niet is gelukt, dat schrijven.

Bij De Boer (1982) zit het zo dat je van het meeste van zijn proza doordrongen raakt van zijn kunde, maar dat je je soms ook ineens weer heel erg kunt verbazen over een rare bokkensprong van een zin, een opzichtelijke lelijkheid of een nodeloze herhaling. Maar omdát je soms ook zo onder de indruk van hem kan zijn, ben je geneigd om het geblunder voor opzettelijk geblunder aan te zien.

Wat dit fronsende duiden nog pijnlijker maakt is dat De Boer je misschien wel gewoon voor de gek zit te houden, want dat het komische een constante in zijn werk is mogen we na vier boeken wel concluderen.

Neem nou die herhalingen. In een verhaal als ‘Een vaderfiguur’, opgenomen in de net verschenen verhalenbundel De geur van miljoenen, gaat een jonge student op bezoek bij een oudere heer die in de pand aan een Amsterdamse gracht woont. In de kern gaat het verhaal over de homoseksuele rite de passage van de student, maar voor het zover is put De Boer zich uit in het secure beschrijven van het bezochte pand en de manier waarop de twee mannen zich aan elkaar voorstellen. God, wat leuk dat je er bent, zegt de een. Ja, ik vind het ook leuk dat ik er ben, zegt de ander. Echt leuk dat je er bent, zegt die eerste weer. Ja, ik vind het ook echt leuk. God, wat fijn om je te zien. Nou, zo denk ik er ook over. En zo nog even door.

Verbaal gepingpong

In datgene waar De Boer eigenlijk over wil schrijven heeft dit verbale gepingpong geen functie, dus je weet eigenlijk niet goed wat je er mee moet. En hoe je het aan moet slaan.

Wat kan, is dat het een op zichzelf staande shout-out is naar een schrijver. Dat hij bijvoorbeeld gewoon even zin had om die twee mannen in een Waiting for Godot-bad te dompelen voordat hij ze aan het werk zette. Want al in zijn debuut Nestvlieders (2011) kon je zien dat De Boer een bovengemiddeld verliteratuurde schrijver was, iemand die andere literatuur in zijn eigen teksten liet doorklinken en die daar bovendien op varieerde.

Dit geldt ook voor De geur van miljoenen en dat begint al op de flap ervan, dat ik vanwege de titel én de afbeelding van Magritte als een saluut aan Hermans’ Uit talloos veel miljoenen interpreteerde. Een sympathieke trek van De Boer is dat hij niet alleen de gedundrukte doden eert, maar dat hij dat ook met contemporaine collega’s doet. Zo is ‘In slechte handen’ een reactie op In goede handen, de kleine roman uit 2015 van Robbert Welagen over een man die geboeid raakt door een man die veel gelijkenissen met hemzelf vertoont, maar een heel ander soort leven leidt. De Boers dubbelganger is echter verre van een goed voorbeeld, zodat er voor de verteller niets rest dan hem met een bijl de kop in te slaan (het staat u volledig vrij om nu even aan Misdaad en straf te denken).

In de verhalen ‘De Jaguar’ en ‘Darren’ herneemt De Boer nota bene zijn eigen personages, want Marcel en zijn rijke schoonouders, de gedegenereerde Van Mosselveldjes, leerden we al in zijn roman De nacht (2014) kennen. Naast latente homoseksualiteit is in deze twee verhalen De Boers andere grote ‘thema’ te vinden, namelijk de mentale/morele verrotting van de (financiële) elite.

Marcel is een soort stootkussen voor vader Van Mosselveld, een uit een column van Youp van ’t Hek weggelopen brallende brulboei met een vulkanisch libido en een niet te onderdrukken neiging om de literair angehauchte Marcel her en der te introduceren als ‘mijn werkloze schoonzoon’.

Studiemaatjes

De Boers drang om ex-corpsballen door middel van een verhaal in hun hemd te zetten is voorstelbaar, maar ze zijn niet de beste in De geur van miljoenen. Zo is ‘Acrobaat in Accra’, het openingsverhaal van de bundel over de ongemakkelijke reünie van twee studiemaatjes, echt te eendimensionaal. De Boer laat ze het hele conflict uitspreken, hij laat niets over aan onze verbeelding.

Er staat veel relatief ouder werk in De geur van miljoenen – wellicht de verklaring voor het toch wat tegenvallende niveau van sommige verhalen. Zeker met ’t Jagthuys (2016) in het achterhoofd, De Boers vorige boek en zijn voorlopige hoogtepunt.

Het geheel nieuwe ‘Kwieke buren’ is dan weer helemaal goed; het bevestigt ten volle het idee dat De Boer een van die jonge schrijvers is die ons nog veel moois gaan brengen. Je voelt tijdens het lezen dat hij ergens ruimte, vrijheid vindt waar anderen niet zoeken of het niet kunnen vinden. Maar, en ik bedoel dit als pluim, altijd is er die bijgedachte bij de lezer dat je genadeloos bij de poot wordt genomen. In ‘Kwieke buren’ meen je eerst een roerende beschrijving van het perfecte geluk te vinden, inclusief man in hangmat met een spinnende kat erbovenop, de pootjes in de lucht ‘als een ondersteboven liggend skateboard’.

Je begint al helemaal sympathie voor de man te voelen. Had dat nou niet gedaan. Het is een boef.

    • Sebastiaan Kort